Het was zo eenvoudig begonnen

Evolutie en Biodiversiteit

Pagina 5 van 43

Poetsende mieren hebben succes

Metarhizium-schimmel maakt minder slachtoffers

Argentijnse mier verwijdert sporen van Metarhizium-schimmel

Mieren verdedigen zich tegen ziekteverwekkende Metarhizium-schimmel door schimmelsporen van elkaar af te plukken. Langdurige blootstelling aan dat poetsgedrag maakt de schimmel minder dodelijk, laten Miriam Stock en collega’s zien.

Een Metarhizium-schimmel kan in een mierennest snel om zich heen grijpen doordat de mieren elkaar makkelijk met schimmelsporen besmetten. Maar de dieren ondernemen actie om de ziekteverwekker te remmen. Dat laat de schimmel niet onberoerd, tonen Miriam Stock en collega’s met experimenten aan.

Om de schimmel tegen te werken, kunnen mieren nest en broed (eitjes, larven en poppen) desinfecteren met een mengsel van mierenzuur, dat ze maken in een gifklier, en boomhars. Bovendien blijft een zieke mier weg van het broed en brengt ze steeds meer tijd buiten het nest door om haar nestgenoten niet in gevaar te brengen. En daarbij houden de beestjes elkaar schoon. Als er sporen van de schimmel op een mier terechtkomen, halen haar maatjes die sporen eraf, met het risico dat ze zelf besmet raken, of ze besproeien ze met mierenzuur.

Nieuwe sporen

Die zorgzame nestgenoten moeten er snel bij zijn. De sporen zetten zich namelijk vast op de getroffen mier en ontkiemen, en daarna is er niets meer tegen te doen. De schimmel dringt naar binnen en groeit daar uit, en de mier bezwijkt eraan. Dan verschijnt de schimmel op het dode lichaam en vormt sporen die nieuwe slachtoffers maken in een volgende infectieronde.

In proeven met de Argentijnse mier, Linepithema humile, laat Stock zien dat tijdige zorg inderdaad helpt; de aanwezigheid van andere mieren maakt de kans kleiner dat een mier na contact met schimmelsporen dood gaat.

Maar het schoonmaken doet ook iets met de schimmel, zo blijkt.

Metarhizium-schimmel past zich aan

De proeven bestonden uit reeksen waarin de Metarhizium-schimmel herhaaldelijk via sporen van een overleden mier overging op een nieuw slachtoffer. In de helft van die reeksen werd de besmette mier alleen gehouden, in de andere helft had ze gezelschap van twee nestgenoten die de sporen konden verwijderen. In een eindtest na tien infectieronden lieten de onderzoekers de schimmel hetzij een geïsoleerde mier, hetzij een mier met gezelschap infecteren.

Schimmellijnen die steeds op een geïsoleerde mier hadden gegroeid, veroorzaakten in de eindtest veel sterfte onder nieuw-besmette mieren die geen zorg van andere kregen. Maar schimmellijnen die steeds een mier hadden geïnfecteerd die gezelschap had van andere mieren – en dus van sporen ontdaan werd -, waren veranderd. Ze vormden maar liefst twee keer zo veel sporen, maar maakten desondanks minder slachtoffers onder mieren waarmee ze in contact kwamen, ook als er geen nestgenoten waren om te helpen. Deze schimmellijnen waren minder dodelijk geworden.

Essentieel stofje

En er was nog iets: de sporen van die ‘gezelschap-schimmels’ werden door de mieren minder goed  opgemerkt en weggehaald. De onderzoekers kwamen erachter dat deze sporen minder ergosterol aanmaakten; dat is een geurende stof die bij alle schimmels voorkomt en waar mieren kennelijk op aanslaan. Zo ontsnappen de ‘gezelschap-schimmels’ aan poetsende mieren.

Maar dat gaat niet voor niets. Ergosterol is een essentieel onderdeel van het omhulsel van sporen. Dat de ‘gezelschap-schimmellijnen’ minder van dit belangrijke stofje maken, verklaart waarschijnlijk dat deze schimmels minder dodelijk zijn.

Sporen van een Metarhizium-schimmel verwijderen, zoals mieren doen, is dus zinvol op twee manieren. Het werkt meteen als mieren snel sporen van een nestgenoot afhalen en haar zo van de dood redden. En op langere termijn maakt het de schimmel minder gevaarlijk.

Willy van Strien

Foto: Argentijnse mieren wisselen voedsel uit. Davefoc (Wikimedia Commons, Creative Commons CC BY-SA 4.0)

Zie ook: mieren ontsmetten hun nest met een mengsel van hars en mierenzuur

Bronnen:
Stock, M., B. Milutinović, M. Hoenigsberger, A.V. Grasse, F. Wiesenhofer, N. Kampleitner, M. Narasimhan, T. Schmitt & S. Cremer, 2023. Pathogen evasion of social immunity. Nature Ecology & Evolution, 2 februari online. Doi: 10.1038/s41559-023-01981-6
Brütsch, T., G. Jaffuel, A. Vallat, T.C.J. Turlings & M. Chapuisat, 2017. Wood ants produce a potent antimicrobial agent by applying formic acid on tree-collected resin. Ecology and Evolution 7: 2249-2254. Doi: 10.1002/ece3.2834
Bos, N., T. Lefèvre, A.B. Jensen & P. D’Ettore, 2012. Sick ants become unsociable. Journal of Evolutionary Biology 25: 342-351. Doi: 10.1111/j.1420-9101.2011.02425.x
Chapuisat, M., A. Oppliger, P. Magliano & P. Christe, 2007. Wood ants use resin to protect themselves against pathogens. Proceedings of the Royal Society B 274: 2013-2017. Doi: 10.1098/rspb.2007.0531

Rode bloedcellen verstopt

Slapende glaskikker is doorschijnender

Fleischmann glaskikker is onzichtbaarder als hij slaapt

Een Fleischmann glaskikker die slaapt is nauwelijks te zien. Rode bloedcellen, die het beestje zichtbaar zouden maken, zijn tijdelijk opgeborgen, schrijven Carlos Taboada en collega’s.

De Fleischmann glaskikker heeft doorzichtige spieren en een doorzichtige buikhuid die het licht doorlaten, zodat hart en ingewanden van onderaf goed te zien zijn. De rughuid bevat een beetje groene kleurstof. Daardoor is het diertje als geheel doorschijnend: een vorm van camouflage. Maar rode bloedcellen – die het licht niet doorlaten, maar rood licht weerkaatsen en andere lichtkleuren absorberen – kunnen het effect bederven.

Carlos Taboada en collega’s laten zien dat het kikkertje hier een oplossing voor heeft: als het slaapt, haalt het vrijwel alle rode bloedcellen weg.

Overdag slapen

Glaskikkers behoren tot de weinige doorzichtige landdieren die er zijn. Zo ook de Fleischmann glaskikker, Hyalinobatrachium fleischmanni. Dit diertje, dat tot drie centimeter lang wordt, komt voor in regenwouden van Midden- en Zuid-Amerika. Volwassen kikkers leven op het droge. Ze zijn ’s nachts actief en slapen overdag, ondersteboven onder een blaadje hangend. Hoe minder ze afsteken tegen het blad als ze slapen, hoe moeilijker hun roofvijanden, voornamelijk vogels, hen kunnen vinden.

Dat de kikkers doorschijnend zijn, helpt daarbij. En door bijna alle rode bloedcellen, zo’n 90 procent, uit de circulatie te halen, maakt een slapende glaskikker zich extra doorzichtig. Hij verbergt de rode bloedcellen in de lever, die daardoor aanmerkelijk uitzet. Zo is hij moeilijker te vinden als hij rust en zijn omgeving niet in de gaten kan houden. Als het beestje weer actief wordt, gaan de bloedcellen terug de bloedstroom in en neemt de doorzichtigheid weer af.

Rode bloedcellen zijn rood doordat ze het pigment hemoglobine bevatten, een eiwit dat zuurstof bindt; rode bloedcellen brengen zuurstof naar alle andere cellen. Tijdens de slaap moeten die het dus zonder zuurstof stellen. Kennelijk gaat dat goed.

Zorgzame vader

De kikkers leggen hun eitjes op een blad dat boven water hangt. De vader verzorgt de eitjes tot ze uitkomen en de kikkervisjes in het water vallen.

Willy van Strien

Foto: Fleischmann glaskikker. Esteban Alzate (Wikimedia Commons, Creative Commons CC BY-SA 2.5)

Op film: glaskikkervader beschermt eitjes tegen roofvijanden.

Zie ook: glaskikker-embryo’s komen vroeger uit als papa, die hen verzorgt, wegblijft.

Bronnen:
Taboada, C., J. Delia, M. Chen, C. Ma, X. Peng, X. Zhu, L. Jiang, T. Vu, Q. Zhou, J. Yao, L. O’Connell & S. Johnsen, 2022. Glassfrogs conceal blood in their liver to maintain transparency. Science 378: 1315-1320. Doi: 10.1126/science.abl662
Cruz, N.M. & R.M. White, 2022.  Lessons on transparency from the glassfrog. Transparency in glassfrogs has potential implications for human blood clotting. Science 378: 1272-1273. Doi: 10.1126/science.adf75
Barnett, J.B., C. Michalis, H.M. Anderson, B.L. McEwen, J. Yeager, J.N. Pruitt, N.E. Scott-Samuel & I.C. Cuthill, 2020. Imperfect transparency and camouflage in glass frogs. PNAS 117: 12885-12890. Doi: 10.1073/pnas.1919417117

Bekvechter

Neoclinus blanchardi imponeert met reuzenkaak

Neoclinus blanchardi zet grote bek op

Mannetjes van het slijmvisje Neoclinus blanchardi kunnen hun bek wagenwijd opensperren. Dat doen ze alleen maar om indruk op elkaar te maken, laten Watcharapong Hongjamrassilp en collega’s zien.

Het is een onwaarschijnlijk tafereel als Neoclinus blanchardi zijn bek opent. Er komt een enorm vlak tevoorschijn, dat bestaat uit gehemelte en wangen. Het vlak is levendig gekleurd en afgezet met een gele rand.

De vis heet in het Engels sarcastic fringehead, wat zoiets betekent als venijnige franjekop; hij leeft langs de kust van Californië. Bekend was al dat mannetjes, die een grotere bek hebben dan vrouwtjes, elkaar ermee imponeren. Watcharapong Hongjamrassilp en collega’s laten nu zien dat ze hun opvallende bek uitsluitend daarvoor gebruiken.

Worstelen

Neoclinus blanchardi kan een grote mond opzetten dankzij een bovenkaak die, vergeleken met verwante vissoorten, vergroot is en die langer doorgroeit dan de rest van het lichaam. De achterkant van de kaak is zacht en loopt buiten de kop door. De kaak is op zo’n manier met de schedel verbonden dat hij opzij kan draaien.

Mannetjes gebruiken die overdreven grote bek dus om elkaar af te schrikken. Een succesvolle man weet een leeg slakkenhuis of een rotsspleet in beslag te nemen waarin hij zich terugtrekt; alleen zijn kop steekt uit. Daar probeert hij een vrouwtje naartoe te lokken. Als zij hem ziet zitten, legt ze eitjes in zijn hol. Hij bevrucht ze dan en verzorgt ze tot de jongen uitkomen. Als een andere man zijn territorium binnendringt, spert hij zijn bek wijd open en gaat er op af.

De indringer gaat er meteen van door of hij durft de confrontatie aan en maakt zich ook groot. Dan vliegen de mannen elkaar aan en gaan duwen, de open bekken op elkaar gedrukt. Hoe groter een man is, hoe groter de bek die hij opentrekt. De kleinste druipt meestal af, soms heeft de winnaar hem eerst nog gebeten.

Kennelijk zijn geschikte verblijfplaatsen zo schaars dat de vis een opvallend wapen heeft ontwikkeld om zijn stek te verdedigen.

Gemiste kans?

Maar de wijd opengesperde bek Neoclinus blanchardi is ook indrukwekkend genoeg om roofvijanden te kunnen verjagen, dacht Hongjamrassilp. Of buitenissig genoeg om vrouwen te verleiden. Hij dook onder water en deed experimenten in het lab om te zien of dat ook gebeurt.

Maar nee. Als er een roofvijand opdoemt, verjaagt de franjekop hem door met hoge snelheid op hem af te zwemmen. En als zich een vrouwtje vertoont, beweegt hij snel zijn kop heen en weer om haar belangstelling te wekken. Zijn fantastische bek houdt hij in beide gevallen dicht.

Een gemiste kans, zou je zeggen.

Willy van Strien

Foto: Neoclinus blanchardi in zijn verblijfplaats. Magnus Kjaergaard (Wikimedia Commons, Creative Commons CC BY-SA 2.5)

Dit filmpje laat de opengesperde bek in volle glorie zien

Bronnen:
Hongjamrassilp, W., Z. Skelton & P.A. Hastings, 2022. Function of an extraordinary display in Sarcastic Fringeheads (Neoclinus blanchardi) with comments on its evolution. Ecology, 6 oktober online: e3878. Doi: 10.1002/ecy.3878
Hongjamrassilp, W., A.P. Summers & P.A. Hastings, 2018. Heterochrony in fringeheads (Neoclinus) and amplification of an extraordinary aggressive display in the Sarcastic Fringehead (Teleostei: Blenniiformes). Journal of Morphology 279: 626-635. Doi:10.1002/jmor.20798

Koekoekseend zoekt verdediging

Pleeggezin beschermt eendeneieren tegen roofvogels

Koekoekseend legt eieren in nest van agressieve pleegouders

Naar jonge koekoekseendjes hoeven ouders niet om te kijken, want die zijn geheel zelfstandig. Waarom zadelt de eend dan andere vogels met zijn eieren op? Dat vroegen Bruce Lyon en collega’s zich af.

In Zuid-Amerika leeft een eend die, net als een koekoek, zijn eieren legt in nesten van een andere vogelsoort. De gastouders nemen ongewild de zorg op zich. De eend, Heteronetta atricapilla, heet dan ook in het Nederlands koekoekseend; het is een zogenoemde broedparasiet.

Bruce Lyon en collega’s vroegen zich af waarom de koekoekseend zijn eieren eigenlijk onderbrengt bij anderen. Want veel zorg vereisen die niet, afgezien van het uitbroeden. De jongen zijn meteen zelfstandig. Dat is een groot verschil met alle andere broedparasieten, zoals de koekoek. Zij hebben jongen die wekenlang gevoerd en beschermd moeten worden, en voor hen heeft het grote voordelen om de zorg uit te besteden. Maar wat schiet de koekoekseend ermee op?

Makkelijke prooi

Het afstoten van ouderlijke taken heeft misschien te maken met het gevaar van predatie, veronderstelde Lyon. Als de koekoekseend zelf een nest zou maken, zou dat op of aan het water liggen. Daar zijn eieren een makkelijke prooi voor roofvogels, vooral de chimango, zo bleek uit proeven waarin de onderzoekers kippeneieren in een zelfgemaakt, onbewaakt nest legden. Binnen een paar dagen waren alle eieren verdwenen.

Tenzij ze het nest in een kolonie bruinkopmeeuwen geplaatst hadden: dan werd er haast geen enkel ei uit geroofd.

Deze meeuw is een van de gastheren in wiens nesten de koekoekseend zijn eieren dumpt. In Argentinië, waar het onderzoek is uitgevoerd, zijn er nog twee belangrijke gastheren, de watervogels roodschildkoet en roodbandkoet. Net als de bruinkopmeeuw zijn het agressieve vogels die hun nest goed kunnen verdedigen. Is dat de reden dat de koekoekseend hen uitkiest om zijn nageslacht bij onder te brengen?

Veilig

Daar lijkt het wel op. De eendeneieren zijn inderdaad redelijk veilig bij hun felle pleegouders, merkten de onderzoekers. Het kan weliswaar gebeuren dat pleegouders een vreemd ei herkennen en uit het nest kieperen. Maar als ze het ei onder hun hoede nemen, blijft het vrijwel altijd ongemoeid en komt het uit. Die zeer hoge overlevingskans bij acceptatie weegt ruimschoots op tegen het risico van verwerping.

De onderzoekers weten niet hoe groot het voordeel voor de koekoekseend precies is. Ze konden namelijk niet bepalen hoeveel eieren zouden overleven in een nest dat de hij zelf bouwt en verdedigt, simpelweg omdat hij dat nooit doet. Maar verwante soorten eenden die wel hun eigen eieren uitbroeden en bewaken, verliezen er behoorlijk wat aan roofvogels.

Willy van Strien

Foto: een paartje koekoekseenden. Cláudio Dias Timm (Wikimedia Commons, Creative Commons BY-SA 2.0).

Bron:
Lyon, B.E., A. Carminati, G. Goggin & J.M. Eadie, 2022. Did extreme nest predation favor the evolution of obligate brood parasitism in a duck? Ecology and Evolution 12: e9251. Doi: 10.1002/ece3.9251

Kokerspons niest zich schoon

Filtersysteem van sponzen raakt daardoor niet verstopt

Kokerspons houdt filtersysteem schoon door regelmatig te niezen

Het water waaruit sponzen hun voedsel filteren bevat ook te grote en oneetbare deeltjes. Niklas Kornder en collega’s laten zien hoe de kokerspons zich ontdoet van die rommel.

Sponzen zijn een van de oudste diergroepen, en misschien de alleroudste. Het zijn eenvoudige dieren, zonder organen. Niklas Kornder en collega’s ontdekten dat ook zo’n simpel dier zijn lichaam schoon kan houden.

Om aan voedsel te komen, filteren sponzen het water waarin ze leven. Water wordt via kleine gaatjes ingenomen – de ostia – en passeert een inwendig kanaalsysteem waar voedseldeeltjes eruit gehaald worden. Via grotere uitstroomopeningen – de oscula – gaat het weer naar buiten.

Maar in het water zitten niet alleen geschikte voedseldeeltjes, maar ook te grote brokken en oneetbaar spul. Men nam aan dat het afval met het uitstromende water zouden worden geloosd. Kornder laat nu zien dat dat niet klopt. Het zou ook riskant zijn, want door de rommel zou het filtersysteem verstopt kunnen raken.

Slijmpaden

De onderzoekers legden op video vast hoe het wel gaat bij de cilindervormige kokerspons, Alpysina archeri, die leeft in de Caraïbische Zee. Het is een joekel die anderhalve meter lang kan worden.

In de inwendige kanalen wordt het afval verpakt in slijm, zo blijkt. Dat slijm wordt naar de instroomgaatjes getransporteerd en gaat door de gaatjes naar buiten, het sponsoppervlak op. Het beweegt zich dus tegen de waterstroom in de kanalen in. Op het sponsoppervlak is een netwerk van ‘slijmpaden’ te zien, waarover slijmstromen reizen. De stroompjes klonteren samen op iets verhoogde knooppunten.

Maaltje

Van tijd tot tijd loopt er een golf van samentrekken en ontspannen over het sponsoppervlak terwijl de instroomgaatjes gesloten zijn: de kokerspons niest. Bij de nies komt het verzamelde slijm los; de spons is daarmee van de rommel af. En visjes en andere kleine dieren die in de buurt van de spons leven hebben er een maaltje aan.

De onderzoekers denken dat ook andere sponzen niezen om zich schoon te houden. Maar hoe sponzen precies het slijm met afval naar buiten werken, weten ze nog niet.

Willy van Strien

Foto: Aplysina archeri, kokerspons. Nick Hobgood. (Wikimedia Commons, Creative Commons CC BY-SA 3.0)

Bekijk de niezende spons op film

Zie ook: wat is de oudste diergroep?

Bron:
Kornder, N.A., Y. Esser, D. Stoupin, S.P. Leys, B. Mueller, M.J.A. Vermeij, J. Huisman & J.M. de Goeij, 2022. Sponges sneeze mucus to shed particulate waste from their seawater inlet pores. Current Biology, 10 augustus online. Doi: 10.1016/j.cub.2022.07.017

Kleur bekennen

Egeïsche muurhagedis met witte keel is dapperder

Egeïsche hagedis met witte keel is dapperder

Voor de Egeïsche muurhagedis geldt: wie het meest opvallende kleurtje heeft, gaat er het snelste vandoor als er een vijand opdoemt, schrijven Kinsey Brock en Indiana Madden.

Van de Egeïsche muurhagedis, Podarcis erhardii, komen verschillende kleurvormen voor: de dieren hebben een witte, gele of oranje keel. Ze zijn te vinden op muurtjes in het zuidoosten van Europa, in een droog landschap met stugge struiken. Ze hebben verschillende roofvijanden: slangen, vogels en zoogdieren.

Verschijnt er een roofvijand, dan zal een hagedis vluchten. Maar dat betekent wel dat hij moet stoppen met wat hij deed: zonnen of voedsel zoeken. Hij gaat er daarom pas vandoor als het echt nodig is. Kinsey Brock en Indiana Madden wilden weten of de drie kleurvormen dezelfde ‘vluchtafstand’ hebben of niet. Ze gingen na tot welke afstand ze een hagedis konden benaderen voor hij op de vlucht sloeg.

Voorzichtig

De keelkleur van de Egeïsche muurhagedis is erfelijk bepaald. De meeste dieren, zowel mannen als vrouwen, hebben een witte keel; geel en oranje komen minder vaak voor. Er zijn ook dieren met een tweekleurige keel, maar die zijn zeldzaam. Brock en Madden deden hun onderzoek op het Griekse eiland Naxos, aan hagedissen met een effen keelkleur.

Je kunt muurhagedissen met een witte keel het meest dicht benaderen, constateerden ze; hagedissen met een oranje keel gaan er het snelst vandoor; geel-gekeelde dieren zitten ertussenin.

Dieren met een oranje keel zijn dus het voorzichtigst. Ze blijven ook altijd het dichtst in de buurt van een vluchtplaats: een spleet in een muur of dichte begroeiing. En als ze zijn gevlucht, komen ze minder snel weer tevoorschijn dan dieren met gele of witte kelen.

Het sluit aan bij labonderzoek dat liet zien dat mannen met een witte keel het meest agressief, brutaal en dapper zijn.

Afstekende kleur

Dat een Egeïsche muurhagedis met oranje keel meer op zijn hoede is, zal zijn omdat hij meer opvalt. Het grijsbruine vlekkerige lichaam heeft een schutkleur, maar een gele, en vooral een oranje keel steekt af tegen de achtergrond. Een roofvijand ontdekt een hagedis met een oranje keel daardoor makkelijker, dus die moet op zijn beurt eerder wegschieten om de vijand te snel af te zijn.

Willy van Strien

Foto: Mannetje Podarcis erhardii met witte keel. Gailhampshire (Wikimedia Commons, Creative Commons CC BY 2.0)

Bron:
Brock, K.M. & I.E. Madden, 2022. Morph‑specific differences in escape behavior in a color polymorphic lizard. Behavioral Ecology and Sociobiology 76: 104. Doi: 10.1007/s00265-022-03211-8

Mannen onder elkaar

Jonge grijsnekprieelvogel sluit zich aan bij oudere man

Mannen grijsnekprieelvogel werken samen

Met een ondergeschikte man als gezelschap staat een grijsnekprieelvogel-man sterker: zijn prieel is veilig en meer vrouwen zijn onder de indruk, blijkt uit waarnemingen van Giovanni Spezie en Leonida Fusani.

Prieelvogelmannen zijn erg op zichzelf. Om vrouwen te verleiden, bouwen ze elk hun eigen prieel met baltsplaats. Daarbij houden ze flink afstand van elkaar; bij de grijsnekprieelvogel is die afstand gemiddeld maar liefst 1 kilometer. Toch heeft de eigenaar van een prieel vaak gezelschap van een ondergeschikte man. Giovanni Spezie en Leonida Fusani vroegen zich af wat zo’n extra man daar doet. Is het een jongere man die het vak komt leren van een oudere? Of neemt hij actief aan de activiteiten deel en is er sprake van samenwerking?

De grijsnekprieelvogel (Ptilonorhynchus maculatus of Chlamydera maculata) is een van de 21 soorten prieelvogels die er zijn en leeft in Oost-Australië. Hij is gevlekt en heeft een uitrekbare lila kam op zijn nek.

het prieel van grijsnekprieelvogel is een laantje met twee platformsEen man maakt een laantje van gras en twijgjes met aan weerskanten een platform van voornamelijk lichtgrijze voorwerpen, zoals botjes en stenen. Die ondergrond versiert hij met bessen, bladeren en stukjes glas. Vrouwen bezoeken zo’n prieel om vanuit het laantje te kijken hoe de man bij het prieel roept en danst. De voorstelling kan een uur duren. Met zijn kunstige prieel en energieke balts toont hij zijn kwaliteit. Bevalt het haar, dan wil ze wel paren.

Mannen hebben alle tijd voor hun uitsloverij, want de zorg voor de jongen is een pure vrouwenzaak. Sommige mannen hebben succes bij meerdere vrouwen, velen doen alle moeite voor niets.

Adequate reactie

Om te achterhalen wat ondergeschikte mannen op een prieel doen, maakten de onderzoekers video-opnamen met een camera die ging draaien zodra er beweging was. Ze bekeken de opnamen om te zien of een extra man alleen toekijkt of ook meedoet met prieelonderhoud en balts. En als hij helpt, is hij dan, net als de prieeleigenaar zelf, in staat om zijn gedrag aan te passen aan de reactie van een bezoekende vrouw, bijvoorbeeld als ze dreigt weg te gaan? Heeft de prieeleigenaar baat bij de hulp? En wat levert het de helper zelf op?

Hoewel ondergeschikte mannen minder actief zijn dan prieeleigenaars, gedragen ze zich hetzelfde en reageren ze hetzelfde op het gedrag van een vrouw (tenzij de onderzoekers subtiele verschillen gemist hebben). De relatie tussen eigenaar en ondergeschikte lijkt niet op die van leraar en leerling, stellen de onderzoekers.

Voordeel voor beide partijen

De ondergeschikte is eerder een hulpje. In zijn aanwezigheid is de kans kleiner dat het prieel wordt geplunderd door de concurrentie. Mannen hebben namelijk de neiging om elkaars prieel te verwoesten of er kostbare versieringen weg te halen om er hun eigen prieel mee te verfraaien. De grijsnekprieelvogel plundert minder vaak dan andere soorten, maar de aanwezigheid van een extra man maakt het risico nog kleiner. Vandaar dat een prieeleigenaar de aanwezigheid van een andere man tolereert.

Bovendien heeft een eigenaar met hulpje meer succes met zijn balts.

De eigenaar heeft dus voordeel van het gezelschap van een ondergeschikte. Die profiteert op zijn beurt ook: soms slaagt hij erin om met een bezoekster te paren. Bovendien is er een kans dat hij in de toekomst de eigenaar van het prieel wordt. Een verbond tussen mannen kan jarenlang blijven bestaan.

Familie?

De samenwerking zou het meest zinvol zijn als de mannen familie van elkaar zijn, bijvoorbeeld broers, zodat de ondergeschikte deelt in het voortplantingssucces van de prieeleigenaar. Maar of dat zo is, hebben de onderzoekers nog niet uitgezocht.

Het is nog maar de vraag. Ander onderzoek had namelijk laten zien dat de mannen zich weinig van familierelaties aantrekken. Ze kiezen de plek voor hun prieel niet per se in de buurt van verwanten, maar ze mijden die ook niet. En als ze een prieel plunderen, is dat het prieel van de buren, ongeacht of die familie zijn.

Willy van Strien

Foto’s:
Groot: grijsnekprieelvogel. Greg Miles (Wikimedia Commons, Creative Commons CC BY-SA 2.0)
Klein: prieel van grijsnekprieelvogel. Davidgregsmith (Wikimedia Commons, Creative Commons CC BY-SA 4.0)

Lees ook hoe prieelvogels hun prieel volgens vast plan maken

Bronnen:
Spezie, G. & L. Fusani, 2022. Male–male associations in spotted bowerbirds (Ptilonorhynchus maculatus) exhibit attributes of courtship coalitions. Behavioral Ecology and Sociobiology 76: 97. Doi: 10.1007/s00265-022-03200-x
Madden, J.R., T.J. Lowe, H.V. Fuller, R.L. Coe, K.K. Dasmahapatra, W. Amos & F. Jury, 2004. Neighbouring male spotted bowerbirds are not related, but do maraud each other. Animal Behaviour, 68: 751-758. Doi: 10.1016/j.anbehav.2003.12.006

Driepoot

Papegaai klimt rechts-links-midden-rechts-links-midden

perzikkopagapornis klimt met drie poten

Een papegaai die omhoog klautert heeft een extra poot ter beschikking: zijn snavel. Dat blijkt uit onderzoek van Melody Young en collega’s aan de perzikkopagapornis.

Spechten, boomklevers, boomkruipers en papegaaiachtigen: het zijn vogels die recht omhoog kunnen gaan tegen een boomstam. Spechten, boomklevers en boomkruipers komen dan hippend vooruit, met sprongetjes waarbij beide poten tegelijk even loskomen van de ondergrond. Papegaaien doen het anders. Ze klauteren – met hun snavel als derde poot, laten Melody Young en collega’s zien.

Dat papegaaien en parkieten hun bek gebruiken als ze omhoogklimmen heeft iedereen weleens gezien. Maar gebruiken ze die dan echt als poot, of alleen voor steun en evenwicht, zoals vogels ook vaak hun staart gebruiken? Om dat te achterhalen onderzocht Young de klauterkunsten van de perzikkopagapornis, Agapornis roseicollis, een dwergpapegaai uit Zuidwest Afrika.

Nieuwe functie

Ze haalde zes dieren naar het lab en liet ze lopen over een loopbaan onder verschillende hellingshoeken. Ze filmde hun gang met een hogesnelheidscamera en mat de kracht die poten, bek en staart op de ondergrond uitoefenden.

De papegaaitjes gebruikten hun snavel en staart vaak bij het lopen als de loopbaan steiler was opgesteld dan 45°. Stond hij helemaal rechtop, dan waren bek en staart altijd nodig. De snavel functioneerde dan als extra poot, zo bleek. De dieren zetten beide poten en snavel om de beurt naar voren: rechterpoot, linkerpoot, snavel, rechterpoot, linkerpoot, snavel. Ook uit de gemeten krachten bleek dat de snavel dezelfde rol speelt als de poten om vooruit te komen.

De staart helpt steun te bieden en de vogel in evenwicht te houden.

Papegaaiachtigen hebben hun snavel dus een tweede functie gegeven als extra poot om mee te klimmen. Ook de nekspieren moeten aan die nieuwe taak zijn aangepast.

Willy van Strien

Foto: Perzikkopagapornis. User Nbansal4732 of the English Wikipedia (Wikimedia Commons, Creative Commons CC BY-SA 2.5)

Bron:
Melody W. Young, M.W., E. Dickinson, N.D. Flaim & M.C. Granatosky, 2022. Overcoming a ‘forbidden phenotype’: the parrot’s head supports, propels and powers tripedal locomotion. Proceedings of the Royal Society B 289: 20220245. Doi: 10.1098/rspb.2022.0245

Zoemen tegen uilen

Vale vleermuis imiteert geluid van bijen en wespen

Vale vleermuis misleidt uilen met gezoem

Uilen mijden het gezoem van boze bijen en wespen. Daar maakt de vale vleermuis handig gebruik van door dat geluid na te bootsen, laten Leonardo Ancillotto en collega’s zien.

Een vale vleermuis in het nauw doet iets raars: hij maakt een geluid dat klinkt als het gezoem van een opgeschrikte groep bijen of wespen. Dat viel Leonardo Ancillotto en collega’s op toen ze bij hun onderzoek de diertjes vastpakten. Ze dachten: zou het kunnen dat vleermuizen het geluid van gealarmeerde bijen en wespen nabootsen als ze zich bedreigd voelen door een mogelijke roofvijand om die af te schrikken? Het was een nieuw onderzoek waard.

De vale vleermuis, Myotis myotis, komt bijna overal in Europa voor. Zijn vijanden zijn uilen, die net als vleermuizen actief zijn als het donker is.

Strottenhoofd

Om erachter te komen of hun idee klopte, analyseerden de onderzoekers eerst geluidsopnamen van zoemende vleermuizen en vergeleken dat met het gezoem dat een aantal soorten bijen en wespen voortbrengen als ze worden lastiggevallen en hun nest verdedigen. Onder die soorten waren honingbij (Apis mellifera) en hoornaar (Vespa crabro). En inderdaad: de zoemgeluiden leken op elkaar, zeker in de oren van een uil.

De overeenkomst is opmerkelijk, want het geluid komt op verschillende manieren tot stand. Bijen en wespen zoemen door met hun vleugels te slaan, terwijl vleermuizen het geluid met hun strottenhoofd maken.

Vervolgens deden de onderzoekers playback-experimenten waarin ze opnamen van het gezoem van honingbij, hoornaar of vale vleermuis afspeelden voor een aantal kerkuilen en bosuilen. Het vleermuisgezoem leek namelijk het meest op dat van honingbij en hoornaar. Bovendien leven deze insecten in boomholten, en daar willen uilen nog wel eens een kijkje nemen. Ter controle speelden ze de roepjes af waarmee een andere vleermuis, de Europese bulvleermuis (Tadarida teniotis), communiceert.

Ervaring

De uilen gingen weg van luidsprekers waaruit gezoem klonk, of dat nu van honingbij, hoornaar of vale vleermuis afkomstig was. Vleermuisroepjes trokken hun juist aan. Wilde uilen, die wellicht ooit boze bijen of wespen hebben ontmoet en daarbij pijnlijke steken  opliepen, moesten nog minder van zoemgeluiden hebben dan uilen die in gevangenschap waren grootgebracht.

Ligt het eigenlijk voor de hand dat nachtdieren zoals uilen bang zijn voor bijen en wespen, die overdag actief zijn? Ja, die angst is denkbaar. Honingbijen vliegen ‘s zomers tot in de late avond en hoornaars vliegen soms ’s nachts, bij maanlicht of kunstlicht. Kerkuilen komen al in de schemering tevoorschijn, en bosuilen jagen soms zelfs overdag in de periode dat ze hongerige jongen hebben.

Kennelijk zijn de uilen beducht voor bijen en wespen en houden de vleermuizen hen voor de gek. Zoemen als bijen of wespen, oftewel akoestische mimicry, is misschien het enige dat ze tegen hun roofvijand kunnen uitrichten.

Willy van Strien

Foto: Vale vleermuis. Kovács Richárd (Wikimedia Commons, Creative Commons CC BY-SA 3.0)

Ander voorbeeld van mimicry: jonge grauwe treurtiran bootst giftige rups na

Bron:
Ancillotto, L., D. Pafundi, F. Cappa, G. Chaverri, M. Gamba, R. Cervo & D. Russo, 2022. Bats mimic hymenopteran insect sounds to deter predators. Current Biology 32: R408-R409. Doi: 10.1016/j.cub.2022.03.052

Voedselvoorziening naar behoefte

Bladsnijdermier laat schimmeltuin niet kwijnen

Acromyrmex octospinosus is ook een bladsnijdermier

De schimmel-kwekende mier Acromyrmex ambiguus houdt zijn gewas goed in de gaten en grijpt in als het dreigt te verkommeren door voedselgebrek, laten Daniela Römer en collega’s zien.

In hun ondergrondse nesten met kamers kweken bladsnijdermieren schimmels op plantenmateriaal. De mierenwerksters behandelen hun gewas met zorg, blijkt uit onderzoek van Daniela Römer en collega’s aan Acromyrmex ambiguus: gaat de schimmeltuin in één van de nestkamers door voedselgebrek achteruit, dan zullen ze daar extra stukjes vers groen blad naartoe brengen.

Acromyrmex balzani haalt gras voor schimmelgewasMieren kunnen geen bladeren verteren, maar schimmelkwekers zijn dankzij hun gewas toch herbivoor. De schimmels breken het plantenmateriaal namelijk af en zetten het om in verteerbare, voedzame bolletjes. De mierenlarven zijn volledig op dat voedsel aangewezen, de werksters eten er ook van.

Dat bladsnijdermieren, die leven in Noord-, Midden- en Zuid-Amerika, hun gewas prima verzorgen was al bekend. Ze moeten natuurlijk ook wel, want als de schimmel teloorgaat is alle moeite die ze erin hebben gestoken voor niets geweest en hebben de larven geen eten.

Eerlijk verdeeld

Acromyrmex ambiguus is zo’n bladsnijder; hij heeft nesten met duizenden kamers waarin schimmel groeit en broed wordt grootgebracht. Römer wilde weten hoe de werksters het bladmateriaal dat ze verzamelen – dus het voedsel voor de schimmel – eerlijk over al die kamers verdelen.

Uit de experimenten die ze deed blijkt opnieuw hoe kundig de kleine landbouwers zijn. In het lab houden de onderzoekers een kolonie van Acromyrmex ambiguus, gehuisvest in een kunstmatig nest met een aantal nestkamers die gevuld zijn met schimmel, ongeveer duizend werksters en mierenbroed. Voor de experimenten zetten ze drie van die nestkamers op een rij; elk kamer was met een eigen toegangsbuis verbonden met een hoofdgang. Kamers met vers bladmateriaal en met water en honing voor de werksters waren gekoppeld aan een uiteinde van de hoofdgang. Aan het andere uiteinde was een kamer waarin de mieren afval kwijt konden. Videocamera’s legden het gedrag van de werksters vast.

In experimenten waarin de schimmel er in alle drie de nestkamers goed bij stond, verdeelden de werksters de stukjes blad eerlijk over die kamers: ze brachten overal evenveel.

Ondervoed

Maar voor een aantal proeven hadden de onderzoekers de schimmel in de middelste kamer laten verhongeren door die kamer twee dagen voor het experiment los te koppelen van ruimtes met blad. De werksters in die kamer hadden de schimmel dus niet van voedsel kunnen voorzien. Daardoor was de normale groengrijze toplaag van de schimmelmassa verdwenen.

In deze experimenten brachten de mieren veel meer stukjes blad naar de middelste kamer dan naar de andere twee. Waarschijnlijk merkten ze dat het schimmelgewas in die kamer er slecht aan toe was en meer voedsel nodig had aan de geur die het afgaf. Zo probeerden ze de kwijnende schimmeltuin met extra zorg te redden.

Werksters van Acromyrmex ambiguus, en waarschijnlijk ook van andere bladsnijdermieren, zijn boeren die goed in de gaten houden hoe hun gewas het doet en adequaat reageren als de conditie achteruitgaat.

Willy van Strien

Foto’s: twee andere schimmel-kwekende Acromyrmex-soorten
Groot: Acromyrmex octospinosus. Deadstar0 (Wikimedia Commons, Creative Commons, CC BY-SA 3.0)
Klein: Acromyrmex balzani. Alex Wild (Wikimedia Commons, Creative Commons, Public Domain)

Meer over de verzorging van schimmeltuintjes van mieren:
Een hele zorg
Een kleine landbouwgeschiedenis

Bron:
Römer, D., G.P. Aguilar, A. Meyer & F. Roces, 2022. Symbiont demand guides resource supply: leaf‑cutting ants preferentially deliver their harvested fragments to undernourished fungus gardens. The Science of Nature 109: 25. Doi: 10.1007/s00114-022-01797-7

« Oudere berichten Nieuwere berichten »

© 2025 Het was zo eenvoudig begonnen

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑