Achter het behang geplakt

Slakkenhuis als wapen tegen parasitaire wormpjes

huisje van gewone tuinslak kapselt parasitaire wormpjes in

Parasitaire wormpjes die een slakkenhuisje inkruipen worden soms door de cellen van de binnenbekleding van dat huisje gevangen, ingekapseld en tegen de wand gezet, laat Robbie Rae zien.

Dankzij het huisje kan een huisjesslak tegen een stootje. Het huisje beschermt hem tegen beschadiging, roofvijanden, hitte en kou, droogte en regen. Maar er is meer, ontdekte Robbie Rae. Slakken gebruiken hun huisje ook om parasitaire rondwormpjes (nematoden) uit te schakelen. Deze parasieten vallen de slakken al lastig sinds die op aarde verschenen, zo’n 400 miljoen jaar geleden. Dat slakken iets hebben ontwikkeld om zich tegen hen te verweren is dus logisch, maar tot nu was geen verdedigingsmethode bekend.

Rae stelde in het lab een aantal gewone tuinslakken (Cepaea nemoralis) gedurende een aantal weken bloot aan rondwormpjes van de soort Phasmarhabditis hermaphrodita. Dit in de bodem levende diertje van nog geen 2 millimeter lang kan veel soorten slakken infecteren en uiteindelijk doden, maar er zijn ook slakken waarop het geen vat heeft, waaronder de gewone tuinslak; zij zijn tegen hem bestand. Rae volgde de confrontatie tussen tuinslak en wormen om erachter te komen hoe de slak de parasieten uitschakelt.

rondwormpjes aan het slakkenhuis geplakt Daarbij blijkt de binnenbekleding van het huisje cruciaal te zijn. Cellen die deel uitmaken van die bekleding hechten zich aan een naar binnen gekropen wormpje, vermenigvuldigen zich en verspreiden zich over het beestje totdat het helemaal bedekt is. Het wormpje wordt met de cellaag verankerd aan de binnenkant van het huisje en gaat dood. Tuinslakken kapselen op deze manier niet alleen dit dodelijke wormpje in, maar ze gebruiken de afweerreactie ook tegen minder schadelijke rondwormpjes, bleek uit proeven.

En buiten gebeurt dat volop. Rae verzamelde gewone en witgerande tuinslakken (Cepaea hortenis) in het veld en zag dat veel slakken verschillende soorten wormpjes ‘achter het behang geplakt’ hebben, tot soms wel 100 exemplaren per huisje.  Ook de segrijnslak (Cornu aspersum) – net als de tuinslakken een huisjesslak die in Nederland voorkomt – maakt binnengedrongen wormpjes op deze manier onschadelijk.
Tenslotte bekeek hij een groot aantal huisjesslakken uit museumcollecties en constateerde dat heel veel soorten slakken parasieten kunnen inkapselen. Gevangen wormpjes blijven voorgoed aan de wand vastgehecht; ze zijn zelfs terug te vinden in slakken die al een paar honderd jaar dood zijn. Omdat dit verdedigingsmechanisme wijd verspreid is binnen de grote en oude groep van de landslakken, moet het al zo’n 100 miljoen jaar oud zijn. Zelfs enkele naaktslakken schakelen parasitaire rondwormen op deze manier uit. Ze hebben in de loop van de evolutie hun huisje verloren, maar bij veel soorten is er een restant van over, en daarmee kunnen ze wormpjes vangen en inkapselen.

Een soort huisjesslak die zich niet tegen het rondwormpje Phasmarhabditis hermaphrodita kan verdedigen is de bolle duinslak (Cernuella virgata). Kennelijk weet het wormpje zijn afweerreactie te blokkeren. Ook veel naaktslakken zijn niet tegen de parasiet opgewassen, en het wormpje is dan ook op de markt als biologisch bestrijdingsmiddel tegen plantenetende naaktslakken.

Willy van Strien

Foto’s:
Groot: gewone tuinslak, Cepaea nemoralis. Kristian Peters (Wikimedia Commons, Creative Commons CC BY-SA 3.0)
Klein: wormpjes tegen de wand van een slakkenhuis geplakt. © Robbie Rae

Bron:
Rae, R., 2017. The gastropod shell has been co-opted to kill parasitic nematodes. Scientific Reports 7: 4745. Doi: 10.1038/s41598-017-04695-5

Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on LinkedIn
Geplaatst in verdediging | Een reactie plaatsen

Slagwerk

Zwarte kaketoe drumt met zelfgemaakte drumstok

Zwarte kaketoe maakt zelf een drumstok

Met een vrouwtje als publiek slaan zwarte kaketoes vaak met een stok op een holle tak of stam. Robert Heinsohn en collega’s hoorden dat de vogels daarbij een strak ritme aanhouden en dat elke man zijn eigen stijl heeft.

Een mannetje van de zwarte kaketoe (of palmkaketoe) uit Noord-Australië kan verschillende geluiden laten horen en zijn kuif overeind zetten. Dat is al indrukwekkend, maar wat pas echt bijzonder is: hij speelt soms een partijtje drum.
Een man die als slagwerker gaat optreden breekt een tak af, verwijdert de bladeren, maakt de stok op lengte (zo’n 20 centimeter), klemt hem in een van beide poten en begint er herhaaldelijk mee te slaan op een holle tak of stam. In plaats van een stok gebruikt hij soms een zaaddoos van een bepaalde boom (Grevillea glauca) nadat hij die met zijn snavel heeft bijgewerkt. Hij kan een tijdlang doorgaan met drummen, tot 90 slagen aan toe.
Opvallend is dat hij er niet willekeurig op los mept, maar in een keurig ritme slaat, zoals Robert Heinsohn en collega’s vaststelden. Ze merkten ook dat elk mannetje een eigen stijl heeft; de een slaat langzaam in een vast ritme, de ander heeft een wat hoger tempo of wisselt een langzaam deel af met een sneller stukje.

Wat voor bedoeling een man heeft met zijn optreden, is nog niet bekend. Zwarte kaketoes vormen monogame paren die een groot territorium bezetten. Het geluid draagt niet zo ver dat ze al drummend met de buren kunnen communiceren; een man speelt altijd solo. Omdat het vrouwtje bij de meeste optredens aanwezig is, is de percussie waarschijnlijk voor haar bedoeld, en misschien is het voor hem een manier om haar te vertellen wat zijn conditie of leeftijd is; de vogels kunnen ouder dan 50 jaar worden. Of vrouwen de muziek mooi vinden en wat voor ritme ze graag horen, is niet bekend.

Willy van Strien

Foto: Christoph Lorse (Via Flickr. Creative Commons CC BY-NC-SA 2.0)

De onderzoekers vertellen over hun werk op You Tube;
kort fragment met drummende kaketoe.

Bron:
Heinsohn, R., C.N. Zdenek, R.B. Cunningham, J.A. Endler & N.E. Langmore, 2017. Tool-assisted rhythmic drumming in palm cockatoos shares key elements of human instrumental music. Science Advances 3: e1602399. Doi: 10.1126/sciadv.1602399

Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on LinkedIn
Geplaatst in communicatie, seksueel gedrag | Reacties uitgeschakeld voor Slagwerk

Plakken en pakken

Bodemjachtspin overmeestert prooi met lijmdraden

bodemjachtspin vangt prooi met lijmdraden

Is een prooi gevaarlijk? Stribbelt hij tegen? Veel bodemjachtspinnen weten daar wel raad mee. Ze omzwachtelen de poten van hun slachtoffer met draden waar een laag taaie lijm op zit, laten Jonas Wolff en collega’s zien.

Bodemjachtspinnen vangen hun prooien niet door een web te maken, maar ze doen precies zoals hun naam zegt: ze bejagen ze op de bodem. Voor sommige van hen is dat een riskante onderneming, omdat zij op grote of gevaarlijke prooien afgaan, zoals mieren en andere spinnen. Jonas Wolff en collega’s achterhaalden hoe zij erin slagen om die prooien te overmeesteren.
Bodemjachtspinnen (Gnaphosidae) komen overal ter wereld voor. In Nederland leven ongeveer 35 soorten; zij hebben mooie namen, zoals mierendief, harige muisspin en stalmuursluiper.
Wolff filmde het gedrag van een aantal bodemjachtspinnen die een mogelijk slachtoffer in het oog krijgen en analyseerde de beelden.

Een bodemjachtspin probeert een prooi eerst met zijn voorpoten te pakken, zo bleek. Lukt dat niet omdat het slachtoffer groot of weerbarstig is, dan schakelt hij al gauw over op een andere tactiek. Hij brengt plakkerige draden aan op de bodem en rond de poten en monddelen van de tegenstander. Die raakt verstrikt en kan niet veel meer doen, al weet een gelijmde spin soms nog gemeen te bijten – de jacht blijft gevaarlijk.
Andere spinnensoorten maken niet zulke lijmdraden. Spinnenzijde wordt gemaakt in zijdeklieren, en de onderzoekers vergeleken daarom de zijdeklieren van bodemjachtspinnen met die van andere spinnen. Ze vonden duidelijke verschillen.

Er zijn verschillende typen zijdeklieren om verschillende soorten zijde te kunnen spinnen. De klieren produceren een vloeibaar mengsel van zijde-eiwitten en hebben een taps toelopende afvoerbuis die eindigt in een tuitje op een spintepel. Spinnen hebben een tot vier paar spintepels op het achterlijf; ze maken draden door het eiwitmengsel door de nauwe opening van een tuitje naar buiten te trekken.
Op het grootste paar spintepels zit bij de meeste spinnen een tuitje van een grote ampullate klier (er is geen Nederlandse naam). Die levert de sterke zijde waar webbouwende spinnen de dragende draden van hun web van maken; ook de draad waaraan spinnen zich kunnen laten vallen bestaat uit deze zijde. Daarnaast zijn er de openingen van een aantal kleine piriforme klieren. Die leveren korte, kleverige zijdevezels die spinnen omvormen tot ‘plakkertjes’ waarmee ze de draden van hun web op de kruispunten aan elkaar lijmen, of het web of de valdraad aan bijvoorbeeld een boom vastmaken.
De klieren van bodemjachtspinnen die met lijmdraden werken zijn anders. De ampullate klieren zijn bij hen in verhouding maar klein, terwijl de piriforme klieren sterk vergroot zijn en forse tuiten hebben. Deze grote piriforme klieren maken de zijde voor de draden waarmee de spinnen hun prooien immobiliseren. De draden zijn bedekt met een laag buigzame, taaie lijm, perfect om een tegenstribbelende prooi in bedwang te houden.

De bodemjachtspinnen hebben dus een nieuwe vorm en toepassing van piriforme zijde ontwikkeld en de bouw van de zijdeklieren is aangepast. Gevolg is wel dat deze spinnen geen stevige draden kunnen maken en ook geen goed functionerende plakkertjes. Net als veel andere spinnen bouwen ze een zijden nest om in te schuilen (van nog weer een ander type zijde), maar ze kunnen dat nest minder goed aan de ondergrond bevestigen. Dat is de prijs die ze betalen voor hun exclusieve jachtmethode.

Willy van Strien

Foto:
Stalmuursluiper Scotophaeus blackwalli. Richard Pigott (via Flickr; Creative Commons CC BY-SA 2.0)

Bron:
Wolff, J.O., M. Řezáč, T. Krejčí & S. Gorb, 2017. Hunting with sticky tape: functional shift in silk glands of araneophagous ground spiders (Gnaphosidae). Journal of Experimental Biology 220: 2250-2259. Doi: 10.1242/jeb.154682

Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on LinkedIn
Geplaatst in predatie | Reacties uitgeschakeld voor Plakken en pakken

Zoenlippen

Vis kust hard koraal om ervan te eten

Lipvis Labropsis australis kust het koraal om ervan te eten

Als een van de weinige vissoorten voedt Labropsis australis zich met hard koraal. Hij heeft speciale lippen waarmee hij dat ongestraft kan doen, laten Victor Huertas en David Bellwood zien.

Labropsis australis: lippen met lamellenDe bek van Labropsis australis ziet er op het oog niet ongewoon uit voor een vis. Maar hij heeft vreemde lippen, zo werd duidelijk toen Victor Huertas en David Bellwood een zeer sterke vergrote afbeelding van de vissenbek maakten. De lippen vormen een vooruitstekende buis als ze gesloten zijn; ze zijn dik en vlezig en hebben plaatjes (lamellen) die doen denken aan de onderkant van een champignon. Ze zijn bedekt met een dikke laag slijm, geproduceerd door slijmklieren.
Dat is opmerkelijk, want de meeste lipvissen, de groep waar Labropsis australis toe behoort, hebben dunne, gladde lippen die niet slijmerig zijn en niet vooruitsteken.
Labropsis australis is een ‘buislipvis’.

De rare lippen hebben te maken met een ongewoon dieet, schrijven de onderzoekers. Het visje, dat leeft op het Groot Barrièrerif bij de noordkust van Australië, eet van hard koraal – en dat is niet makkelijk. De koralen hebben namelijk een messcherp skelet, bekleed met weefsel dat gemeen stekende netelcellen bevat, zoals kwallen die ook hebben. Daar blijven de meeste vissen dus vanaf. Maar Labropsis australis lijkt nergens last van te hebben.
De biologen filmden het gedrag van de vis met een hogesnelheidscamera om te zien hoe hij precies eet. Als de vis toehapt, zo zagen ze bij vertraagd afspelen, sluit hij zijn bek, perst zijn lippen naadloos op een stuk koraal en slurpt krachtig en snel een portie koraalslijm met wat weefsel naar binnen. Dat gaat gepaard met een hoorbare plop: het is net een kus.

Het slijm van de lippen speelt daarbij een sleutelrol, denken de auteurs. Dankzij de dikke slijmlaag blijft de vis ongedeerd, want de scherpe randjes en de stekende cellen van het koraal komen daar niet doorheen.

Willy van Strien

Foto’s: © Victor Huertas en David Bellwood
Groot: De lipvis Labropsis australis
Klein: Beeld van de lippen van Labropsis australis

De etende lipvis op een filmpje van Victor Huertas en David Bellwood

Bron:
Huertas, V. & D.R. Bellwood, 2017. Mucus-secreting lips offer protection to suction-feeding corallivorous fishes. Current Biology 27: R399–R407. Doi: 10.1016/j.cub.2017.04.056

Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on LinkedIn
Geplaatst in eetgewoonten | Reacties uitgeschakeld voor Zoenlippen

Zoethoudertje

Wilde bijtjes kunnen wel even zonder bloemetjes

Andrena-bij eet honingdauw als er geen bloemen zijn

Als wilde bijen in het voorjaar actief worden in Californië zijn daar nog geen bloemen met nectar, waar ze energie aan kunnen ontlenen. Om te overleven maken ze dan tijdelijk gebruik van zoete honingdauw, ontdekten Joan Meiners en collega’s.

Wat hebben bijen te zoeken bij een struik die niet in bloei staat? Bijen zijn immers onafscheidelijk van bloemen. Daar halen ze suikerrijke nectar en eiwitrijk stuifmeel uit, noodzakelijke stoffen voor zichzelf en hun larven.
Toch trof Joan Meiners in het Pinnacles National Park in Californië veel wilde bijen van verschillende soorten aan bij struiken waar geen bloem aan te vinden was.

Met een serie experimenten kwamen zij en haar collega’s erachter wat die bijen zoeken bij de niet-bloeiende struiken. Het is hen om de honingdauw te doen, het suikerrijke goedje dat schildluizen produceren; de schildluizen zuigen plantensappen op en scheiden uit wat ze daar niet van gebruiken. Er komen alleen bijen op af in het vroege voorjaar, als ze net zijn uitgekomen en er nog nauwelijks bloemen bloeien. Het zijn allemaal solitaire soorten, dat wil zeggen dat ze niet in kolonies leven waar een voorraad nectar aanwezig is. Honingdauw blijkt aan het begin van het seizoen een alternatieve suikerbron te zijn voor deze bijen: een nieuwe bevinding.

De vraag is wel hoe bijen dat alternatieve voedsel vinden. Ze kunnen uitstekend zoeken op kleuren en geuren. Bloemen zijn afhankelijk van bijen voor hun bestuiving, want doordat bijen meerdere bloemen na elkaar bezoeken brengen ze stuifmeel over van de meeldraden van de ene bloem naar de stamper van de volgende, zodat die bloem na bevruchting zaden kan vormen. Omdat bijen onmisbaar zijn, lokken bloemen hen met opvallende geuren, kleuren en vormen.
Toch vinden die de kleurloze, geurloze honingdauw ook.
Gaan ze misschien af op de zwarte schimmel die op de honingdauw woekert? Nee, constateerden de onderzoekers nadat ze een aantal takken zwart geverfd hadden: het is niet de kleur die bijen trekt. Zijn het dan de schildluizen zelf die de bijen op de honingdauw attenderen? Ook dat was het niet, want als die beestjes tijdelijk inactief gemaakt werden met een mild anti-insectenmiddel, bleven de bijen weg. Ze kwamen alleen als de schildluizen honingdauw aan het produceren waren.
Maar uit proeven bleek ook dat ze takjes waarop een suikeroplossing gespoten was wél snel weten te vinden.

De biologen denken dat de bijen voortdurend op zoek zijn naar voedsel. Als één bij honingdauw vindt en daarbij blijft hangen, merken andere bijen dat op en gaan ze er ook op af.

Met de honingdauw als extra energiebron kunnen veel wilde bijen een poosje leven zonder nectar; ze zijn niet helemaal van bloemen afhankelijk. Maar uiteindelijk hebben ze wel bloemen nodig, want de larven groeien niet op een dieet van alleen suikers. Zij moeten veel eiwitten binnen krijgen en die zitten alleen in stuifmeel. Elk vrouwtje moet in het voorjaar stuifmeel voor haar nakomelingen verzamelen.
Als er eenmaal bloemen verschijnen, hebben de bijen geen belangstelling meer voor honingdauw en kiezen ze voor de bloemen. De wederzijdse dienstverlening van bij en bloem – bestuiving in ruil voor voedsel – komt dus niet in gevaar.

Willy van Strien

Foto: © Paul G. Johnson

Bron:
Meiners, J.M, T.L. Griswold, D.J. Harris & S.K.M. Ernest, 2017. Bees without flowers: before peak bloom, diverse native bees find insect-produced honeydew sugars. The American Naturalist, 30 mei online. Doi: 10.1086/692437

Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on LinkedIn
Geplaatst in bestuiving, energie | Reacties uitgeschakeld voor Zoethoudertje

Snelle plant

Watervlo is kansloos tegen blaasjeskruid

loos blaasjeskruid, een vleesetende waterplant

Van ontsnappen is geen sprake als een watervlo een vangblaasje van blaasjeskruid raakt. Binnen een fractie van een seconde klapt het deurtje van de val open en dicht en is de watervlo verdwenen. Het gaat met een kracht waartegen het beestje zich niet kan verzetten, laten Simon Poppinga en collega’s zien: het is meteen uitgeschakeld.

Sommige vleesetende planten, die hun voedingsstoffen uit dierlijke prooien halen, hebben dichtklappende vallen waarmee ze insecten of andere kleine beestjes vangen. Die vallen zijn razendsnel. Kampioen zijn blaasjeskruidsoorten die in water leven, schrijven Simon Poppinga en collega’s.
groot blaasjeskruid, blad met vangblaasjesBoven water zijn van deze drijvende waterplanten alleen de stengels met gele bloemen te zien. Die doen niet vermoeden dat de planten onder water zo gevaarlijk zijn. Daar hebben ze veerdelige bladeren met vangblaasjes. Met een hogesnelheidscamera filmden de onderzoekers hoe vangblaasjes van loos blaasjeskruid een watervlo opzuigen.

De blaasjes zijn gevuld met water, soms ook met wat lucht, en doordat ze constant water naar buiten pompen heerst er een onderdruk. Ze zijn afgesloten met een buigzaam deurtje dat aan de bovenkant vastzit en aan de onderkant op een drempel rust. Het deurtje is bol naar buiten toe. Er staan wat haren op die reageren op aanraking.

Als een watervlo zo’n haar raakt, is hij verloren. Dan klapt de deur om van bol naar hol. In die positie kan hij de waterdruk van buiten niet weerstaan, dus hij zwaait naar binnen toe open. Met een snelheid die tot wel 4 meter per seconde kan oplopen schiet de watervlo dan met het instromende water door de deuropening. Hij is volkomen machteloos. Binnen komt de waterstroom bijna tot stilstand; de sterke versnelling en vertraging zijn genoeg om het diertje te versuffen en misschien zelfs te doden. Bewegen doet het in elk geval niet meer, en als het nog leeft, zal het snel stikken – zonder doodstrijd.
Het deurtje slaat dicht en neemt de bolle vorm weer aan. Het hele vangproces heeft slechts een honderdste seconde geduurd. De prooi zal binnen een paar uur zijn verteerd.

Loos blaasjeskruid komt in Nederland voor, net als groot of gewoon blaasjeskruid, dat er erg op lijkt. De planten zijn zeldzaam.

Willy van Strien

Foto’s:
Groot: loos blaasjeskruid. Abalg (via Wikimedia Commons. Creative Commons CC BY 3.0)
Klein: bladeren met vangblaasjes van groot blaasjeskruid. H. Zell (via Wikimedia Commons. Creative Commons CC BY-SA 3.0)

Bron:
Poppinga, S., L.E. Daber, A.S. Westermeier, S. Kruppert, M. Horstmann, R. Tollrian & T. Speck, 2017. Biomechanical analysis of prey capture in the carnivorous Southern bladderwort (Utricularia australis). Scientific Reports 7: 1776. Doi:10.1038/s41598-017-01954-3

Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on LinkedIn
Geplaatst in predatie | Reacties uitgeschakeld voor Snelle plant

Elke rug is goed

Kikkervisjes hebben grote haast om weg te komen

Vader pijlgifkikker Ranitomeya variabilis brengt zijn jongen in veiligheid

Het loopt slecht af als de jongen van pijlgifkikker Ranitomeya variabilis samen opgroeien: dan blijft er maar één in leven. Zo gauw zich een volwassen kikker vertoont, proberen kikkervisjes dan ook op zijn rug te klimmen en mee te liften naar een veilige plek, schrijven Lisa Schulte en Michael Mayer.

Als mannetje en vrouwtje van de pijlgifkikker Ranitomeya variabilis uit Peru paren, leggen ze twee à zes eitjes bij een waterpoeltje in de bladoksel van een plant, bijvoorbeeld een bromelia. Daar is de kans klein dat de eitjes door een roofvijand worden gevonden. De vader komt af en toe kijken, en zodra een larve uit het ei komt neemt hij het op de rug en brengt het naar een ander poeltje dat hij van tevoren heeft uitgezocht. Bij een volgend bezoek vist hij opnieuw een larve uit het water, tot hij alle jongen heeft ondergebracht in verschillende plantenpoeltjes waar ze het rijk alleen hebben.
Het is noodzakelijk dat de kikkervisjes van elkaar worden gescheiden. Want als ze bij elkaar blijven, eten ze elkaar op. Er blijft dan slechts één kikkervisje over dat kan opgroeien.

Maar soms worden kleintjes niet meteen opgehaald als ze uitkomen. Dan doen ze hun uiterste best om alsnog een lift te krijgen, laten Lisa Schulte en Michael Mayer zien. Ze brachten groepjes eitjes naar het lab, deden ze in kleine plastic bekers, wachtten tot ze allemaal waren uitgekomen en zetten er dan een volwassen kikker bij: een mannetje of vrouwtje van de eigen soort of een mannetje van een andere soort.
Wat voor kikker het ook was, de kikkervisjes zwommen erheen en veel van hen probeerden razendsnel op zijn rug te komen. Sommige slaagden daarin. Zij besprongen de kikker in feite, schrijven de onderzoekers; het leek wel een aanval.

Het is begrijpelijk dat de kikkervisjes zo haastig en fel zijn. Verschijnt er in de natuur een volwassen kikker bij hun poeltje, dan is het waarschijnlijk de vader die hen alsnog in veiligheid wil brengen. Hij helpt het kikkervisje dat als eerste bij hem is op zijn rug door die te buigen of door het kleintje met de poten naar boven te duwen. Dan vertrekt hij met de gelukkige. Er is geen garantie dat hij de andere jongen daarna ook nog zal komen ophalen. Als hij geen geschikte vrije poeltjes meer kan vinden, blijft hij weg. Vandaar dat de kikkervisjes proberen er als eerste bij te zijn.
Maar in de experimenten kon de bezoeker ook een vrouwtje zijn, of een exemplaar van een andere soort. Dan kregen de kikkervisjes geen enkele hulp of aanmoediging, maar probeerden ze toch vervoer te krijgen door op eigen kracht op de rug van de kikker te klimmen.
Kennelijk is de nood zo hoog dat de kikkervisjes geen verschil maken tussen hun vader en een willekeurige andere kikker die toevallig langs komt. Dat is ook maar beter, want al heeft zo’n andere kikker niet de bedoeling om de kikkervisjes naar een veilige plek te brengen, er is een kans dat die al meeliftend toch bij een geschikt poeltje terechtkomen.

Alleen als de onderzoekers een kikkermodel van kunststof aanboden, reageerden de kikkervisjes niet. Waarschijnlijk herkennen ze een echte kikker aan diens geur.

Willy van Strien

Foto: John Clare (via Flickr. Creative Commons CC BY-NC-ND 2.0)

Bron:
Schulte, L.M. & M. Mayer, 2017. Poison frog tadpoles seek parental transportation to escape their cannibalistic siblings. Journal of zoology, 5 mei online. Doi: 10.1111/jzo.12472

Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on LinkedIn
Geplaatst in ouderzorg | Reacties uitgeschakeld voor Elke rug is goed

Reddingsactie

Vogels bevrijden elkaar van kleverige zaden

Een seychellenzanger op de grond kan beplakt raken met pisoniazaden

Zaden van de pisoniaboom kunnen funest zijn voor een kleine zangvogel als de seychellenzanger: plakken die zaden op de veren, dan kan zo’n vogel niet meer vliegen. Gelukkig gebeurt het weinig, en bij pech komt er vaak hulp, zagen Martijn Hammers en Lyanne Brouwer.

Seychellenzangers op het tropische eiland Cousin, dat behoort tot de Republiek van de Seychellen, leiden een leven met weinig risico’s: er zijn geen roofvijanden op het eiland die het op de volwassen vogels hebben voorzien. Hoog in de bomen zoeken ze ongestoord hun voedsel, insecten die ze van de bladeren pikken.
Seycellenzanger die onder de kleverige zaden zitToch komen ze soms in de problemen, schrijven Martijn Hammers en Lyanne Brouwer. De meest voorkomende boom, de pisoniaboom, maakt namelijk zaden die zeer kleverig worden als ze rijp zijn en op de grond vallen. Foeragerende seychellenzangers hebben daar geen last van, maar als ze op de grond komen om nestmateriaal te verzamelen – een vrouwenwerkje – of om hun territorium te verdedigen, dan kan het gebeuren dat zulke zaden zich stevig aan hun veren hechten; soms raakt een vogel verstrikt in een hele tros zaden. Dan ziet het er niet best uit. Een vogel waar zaden op plakken, ook al zijn het er maar een of enkele, kan vaak niet meer vliegen, en dat is fataal.

Maar als hij geluk heeft, komt er hulp. De biologen, die intensief het gedrag van de seychellenzangers bestudeerden, zagen een paar keer een vogel die flink met zaden was beplakt. En soms schoot dan een andere vogel toe om het slachtoffer te bevrijden nadat die een alarmroep had laten horen. De helper pikte en trok de zaden met zijn snavel los, en redde zo het ongelukkige dier.

Het is bijzonder dat de vogels zo’n reddingsactie uitvoeren. Een hulpvaardige vogel ziet kennelijk wat er aan de hand is, weet hoe hij het probleem moet oplossen en is bereid om dat te doen, op gevaar af dat hij zelf onder de kleverige zaden komt te zitten. Het is dan ook niet zomaar een soortgenoot: in alle waargenomen gevallen was de helper een naaste van het slachtoffer. Vaak blijven een of enkele jongen bij hun ouders wonen; ook een moeder of oma trekt soms bij een broedend paar in. Dan woont er een hele familiegroep in een territorium, en veel familieleden helpen met het grootbrengen van de jongen. Een redddingsactie betekent dat de familiegroep intact blijft en geen hulp verloren gaat.

De kleverige zaden hebben een functie. Als ze op een kleine zangvogel als de seychellenzanger plakken, schiet de boom daar niets mee op. Maar vaak komen ze terecht op zeevogels die het eiland bezoeken. Die kunnen er wel mee vliegen – en de vastzittende zaden meenemen naar een ander eiland. Zo raken de zaden van de boom goed verspreid.

Willy van Strien

Foto’s: © Martijn Hammers

Bron:
Hammers, M. & L. Brouwer, 2017. Rescue behaviour in a social bird: removal of sticky ‘bird-catcher tree’ seeds by group members. Behaviour 154: 403-411. Doi:10.1163/1568539X-00003428

Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on LinkedIn
Geplaatst in samenwerking | Reacties uitgeschakeld voor Reddingsactie

Het venijn in de kop

Vis met giftige hoektanden heeft veel navolgers

Sabeltandslijmvis Petroscirtes breviceps bootst een giftige soort na

Meiacanthus-soorten zijn als enige vissen bewapend met giftige tanden. Roofvissen laten deze venijnige vissen met rust, en een aantal andere vissen bootst het uiterlijk en gedrag van Meiacanthus na om vijanden op een afstand te houden. Een groot onderzoeksteam ontrafelde de evolutie van de giftige vissen.

Een roofvis die in een Meiacanthus-vis een makkelijk hapje denkt te zien, komt bedrogen uit. Het beestje laat zich niet zomaar opeten. Hij zet een paar scherpe tanden in zijn belager die gif injecteren. Die raakt van slag en laat zijn slachtoffer ontsnappen. En hij zal deze vis voortaan niet meer aanraken.
Meiacanthus-vissen zijn de enige vissen met giftanden. Ze behoren tot de groep van de sabeltandslijmvissen (Nemophini) die allemaal een paar grote, holle hoektanden in de onderkaak hebben. Nicholas Casewell laat, samen met een grote groep andere onderzoekers, zien dat de gemeenschappelijke voorouder van de sabeltandslijmvissen die grote hoektanden al had. Maar alleen bij de soorten van het geslacht Meiacanthus hebben ze zich ontwikkeld tot giftanden. Deze soorten hebben gifklieren aan de basis van de vergrote hoektanden en groeven in de tanden waarlangs het gif stroomt als ze het in een vijand inspuiten.

Het gif lijkt geen pijn te veroorzaken, schrijven de onderzoekers, maar het laat de bloeddruk van de roofvijand kelderen. Die wordt daardoor slap, raakt gedesoriënteerd en laat zijn prooi ongedeerd ontsnappen. De bloeddrukverlaging is kennelijk zo’n vervelende ervaring dat hij niet nog eens probeert een Meiacanthus te pakken. De onderzoekers troffen drie verbindingen in het gif aan die nooit eerder bij vissen waren gevonden.
Sommige niet-giftige sabeltandslijmvissen, maar ook sommige vissen van andere groepen, zien er hetzelfde uit als Meiacanthus-soorten en gedragen zich hetzelfde. Zo profiteren ze mee van de angst die roofvissen hebben voor Meiacanthus. Hoewel ze zelf geen verdediging tegen roofvissen hebben, zijn ze door deze na-aperij toch beschermd tegen aanvallen.

Wat doen niet-giftige sabeltandslijmvissen met hun vervaarlijke hoektanden? Voedsel pakken, waarschijnlijk. Dat geldt in elk geval voor alle Plagiotremus-soorten, die stukjes huid, schubben, slijm en vin van grotere vissen afbijten. Als ze op Meiacanthus-soorten lijken, doen hun slachtoffers niet gauw iets terug.
Plagiotremus rhinorhynchos heeft overigens nog een ander trucje. Hij kan ook het uiterlijk nabootsen van de gewone poetslipvis (Labroides dimidiatus) die grotere vissen van hun parasieten afhelpt: een ander voorbeeld van mimicry. Poetsvissen worden door roofvissen met rust gelaten omdat ze van nut zijn, en Plagiotremus rhinorhynchos buit dat handig uit. Veel vissen zijn meesters in vermommen en houden zo hun roofvijanden op de een of andere manier voor de gek.

Willy van Strien

Foto:
Petroscirtes breviceps, niet giftig, maar wel in het bezit van grote hoektanden in de onderkaak. ©Alex Ribeiro
CT-scan van de giftige soort Meiacanthus grammistes. ©Anthony Romilio (University of Queensland, Australië)

Zie ook: veilig dankzij vermomming

Bron:
Casewell, N.R., J.C. Visser, K. Baumann, J. Dobson, H. Han, S. Kuruppu, M. Morgan, A. Romilio, V. Weisbecker, S.A. Ali, J. Debono, I. Koludarov, I.Que, G.C. Bird, G.M. Cooke, A. Nouwens, W.C. Hodgson, S.C. Wagstaff, K.L. Cheney, I. Vetter, L. van der Weerd, M.K. Richardson & B.G. Fry, 2017. The evolution of fangs, venom,and mimicry systems in blenny fishes. Current Biology, 30 maart online. Doi: 10.1016/j.cub.2017.02.067

Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on LinkedIn
Geplaatst in evolutiestamboom, mimicry, verdediging | Reacties uitgeschakeld voor Het venijn in de kop

Microleger

Wolk zelfstandig opererende tangetjes beschermt zee-egel

Tripneustes gratilla laat een wolk gemene tangetjes los

Wanneer een hongerige vis in de buurt komt, laat de zee-egel Tripneustes gratilla een wolk van bijtende, giftige tangetjes los. Daar heeft zo’n vis niet van terug. Hannah Sheppard-Brennand en collega’s beschreven deze bijzondere verdediging.

Aan zee-egels en zeesterren vallen vooral de flinke stekels op, maar daartussen zitten ook nog een heleboel kleine ‘tangetjes’ op een beweeglijke steel, de pedicellariae. Die kunnen verschillende taken uitvoeren: ze vangen voedsel, verwijderen vuil – en ze plagen roofvijanden. Want al zien zee-egels en zeesterren er met al hun stekels niet uit als een aantrekkelijke prooi, toch zijn er dieren, onder meer vissen, die azen op hun uitstulpbare voetjes en ander zacht weefsel.
Sommige zee-egels hebben speciale tangetjes om met zulke vijanden af te rekenen, tangetjes die zijn uitgerust met tanden en een zakje gif. Wie wel eens op zo’n zee-egel trapte heeft zeker kennisgemaakt met deze gemene en pijnlijke dingetjes.

Een zee-egelsoort, Tripneustes gratilla, wacht niet af tot hij aangevreten wordt, maar laat zijn giftige bijtertjes al eerder in actie komen, laten Hannah Sheppard-Brennand en collega’s zien. Wordt deze zee-egel lastiggevallen, dan laat hij een wolk van tangetjes los in het water. De afgestoten tangetjes opereren daar zelfstandig. Ze kunnen zich voortbewegen en voelen, en ze zullen zich vastbijten in een vermeende vijand en hun gif inspuiten.

Vissen houden er niet van om op zo’n zwerm te stuiten, blijkt uit proeven in het lab, en zullen rechtsomkeert maken nog voordat ze een hapje van de zee-egel genomen hebben. Beschermd door zijn bijzondere verdedigingsleger kan Tripneustes gratilla niet alleen ’s nachts, maar ook overdag veilig grazen van algen en zeegras, als andere zee-egels zich maar liever verscholen houden.

Willy van Strien

Foto: Tripneustes gratilla met een wolk van tangetjes. © Hannah Sheppard Brennand

Bron:
Sheppard-Brennand, H., A.G.B. Poore & S.A. Dworjanyn, 2017. A waterborne pursuit-deterrent signal deployed by a sea urchin. The American Naturalist 189, online March 27. Doi: 10.1086/691437

Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on LinkedIn
Geplaatst in verdediging | Reacties uitgeschakeld voor Microleger