Dubbel bedrog

Kakelende koekoek brengt zangvogels in verwarring

koekoekvrouw kakelt als een havik

Eerst zo stiekem mogelijk een ei leggen en dan luid kakelend wegvliegen: een koekoekvrouwtje lijkt niet consequent te zijn. Maar haar gekakel draagt bij aan de misleiding van de beoogde pleegouders van haar jong, laten Jennie York en Nick Davis zien.

Een koekoekvrouwtje dat een ei legt in het nest van een zangvogel, bijvoorbeeld een kleine karekiet, doet dat zo stiekem mogelijk. Want als de pleegouders haar zien, pesten ze haar weg, en als ze haar ei al heeft gelegd, proberen ze dat ei eruit te gooien of verlaten ze het nest om ergens anders opnieuw te beginnen. Want met een koekoeksjong in het nest zijn de eigen jongen ten dode opgeschreven. En dus strijkt een koekoek op een nest neer als de zangvogels even weg zijn en dumpt dan razendsnel een ei. Het is meestal binnen een minuut gepiept.
Maar terwijl ze moeite doet om ongezien te blijven als ze legt, maakt ze vaak een kakelend geluid als ze daarna wegvliegt – heel anders dan het bekende ‘koekoek’ van een mannetje. En dat is gek, want dan kunnen de zangvogels haar alsnog ontdekken. Waarom trekt ze nu opeens hun aandacht? Jennie York en Nick Davis vonden daar een antwoord op.

Ze redeneerden dat een roepend koekoekvrouwtje misschien het geluid van een sperwer, een roofvogel, nabootst; daar heeft het namelijk veel van weg. Als de zangvogels waarbij ze haar ei gelegd heeft dat horen, vrezen ze voor hun leven. Gealarmeerd speuren ze de omgeving af om te zien waar de roofvijand is. En in al die consternatie letten ze niet goed op hun legsel, is het idee. Als ze een afwijkend ei in hun nest zien, reageren ze net zo als wanneer ze een koekoekvrouwtje zien: ze proberen dat ei te verwijderen of ze verlaten hun nest. Maar als ze met hun eigen veiligheid bezig zijn, zullen ze minder goed op hun legsel letten en een vreemd ei makkelijker over het hoofd zien.

York en Davis hebben kunnen bewijzen dat hun idee klopt. Een paar meter van de nesten van kleine karekieten vandaan plaatsten ze een luidspreker en lieten ze een geluid horen; dat geluid was de roep van een koekoekman, van een koekoekvrouw, van een sperwer of van een Turkse tortel, een volstrekt ongevaarlijke vogel. De onderzoekers observeerden hoe de zangvogels daarop reageerden. Het resultaat was duidelijk: het geluid van een koekoekman of een Turkse tortel deed ze niets, maar het geluid van een sperwer maakte ze waakzaam – en dat van een koekoekvrouw net zo. Die lijkt dus inderdaad een sperwer na te bootsen. Ook koolmezen en pimpelmezen, die van een koekoek niets te vrezen hebben, raken gealarmeerd door koekoekgekakel.
Na zo’n beangstigende ervaring hebben kleine karekieten minder oog voor hun nest, bleek vervolgens ook. De onderzoekers stelden de vogels weer bloot aan een geluid, legden een afwijkend ei in het nest en controleerden het nest de volgende dag om te zien of dat ei was geaccepteerd of verwijderd. Karekieten die een sperwer of een koekoekvrouw gehoord hadden, merkten een afwijkend ei minder vaak op dan vogels die een koekoekman of een Turkse tortel gehoord hadden.

Een kakelend koekoekvrouwtje houdt de pleegouders dus twee keer voor de gek. Eerst legt ze stiekem haar ei. Vervolgens doet ze een sperwer na, zodat de bedrogen zangvogels zichzelf verdedigen in plaats van hun legsel, terwijl juist hun legsel in gevaar is.

Willy van Strien

Foto: Trebol-a (Wikimedia Commons, Creative Commons CC BY-SA 3.0)

Bron:
York, J.E. & N.B. Davies, 2017. Female cuckoo calls misdirect host defences towards the wrong enemy. Nature Ecology & Evolution, 4 september online. Doi: 10.1038/s41559-017-0279-3

Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on LinkedIn
Geplaatst in mimicry, parasitisme | Een reactie plaatsen

Bloemetjesjurk

Krabspin misleidt bestuivers met vorm en kleur

krabspin is vermomd als bloemetje

De spin Epicadus heterogaster heeft de kleur van een bloem, en niet voor niets, laten Camila Vieira en collega’s zien: bijen komen op de kleur af en worden prooien. De eigenaardige vorm van de spin maakt de vermomming compleet.

Voor het krabspinnetje Epicadus heterogaster uit Brazilië is het altijd carnaval, zo lijkt het. Het beestje is vermomd als bloemetje: het is wit, geel of paars en heeft een achterlijf met opvallende uitsteeksels. Zo misleidt zij insecten die bloemen bezoeken om nectar te verzamelen en die al doende de bloemen bestuiven, is het idee. Als die op de spin afkomen, hoeft ze haar poten maar uit te steken om ze te pakken. De bestuivers zijn prooien geworden.
Camila Vieira en collega’s bewijzen nu dat insecten zoals bijen inderdaad op de kleur van de spin af komen.

Net als veel bloemen heeft Epicadus heterogaster een ultraviolette component in haar kleur. Wij kunnen die ultraviolette kleur niet zien, maar insecten zien het uitstekend en sommige insecten, zoals bijen, hebben er een voorkeur voor. De kleur van de spin steekt duidelijk af tegen het groene blad waarop ze haar bezoekers opwacht.
Om te bewijzen dat de kleur insecten lokt, behandelden de onderzoekers verdoofde vrouwelijke spinnen met zonnebrandcrème die het ultraviolet tegenhoudt. Smeerden ze de crème op de rug van een vrouwtje, dan zagen langsvliegende bestuivers geen ultraviolet meer en kwamen ze niet op de spin af. Integendeel, ze gingen haar juist uit de weg. Maar brachten ze de crème op de buik van een spin aan, dan bleef zij er voor passerende bestuivers normaal uitzien en dan benaderden die haar wel. De ultraviolette kleur misleidt bestuivers dus, en de bloemachtige vorm zal daar ongetwijfeld bij helpen.

Jonge vrouwtjes hebben dezelfde ultraviolette kleur als volwassen vrouwtjes. Maar zij gebruiken de gelijkenis met een bloem op een andere manier. Ze zitten niet op een groen blad om bestuivers te lokken, want ze zijn zo klein dat bestuivers toch niet in hen geïnteresseerd zijn. En dan kunnen ze maar beter niet opvallen, want hun roofvijanden zien ze ook. Jonge spinnetjes zitten dan ook meestal op een bloem, waar ze prima gecamoufleerd zijn.

Willy van Strien

Foto: Alex Popovkin (Wikimedia Commons, Creative Commons CC BY 2.0)

Epicadus heterogaster in levende lijve op TouTube

Ook de orchidee-bidsprinkhaan bootst een bloem na om insecten te vangen

Bron:
Vieira, C., E.N. Ramires, J. Vasconcellos-Neto, R.J. Poppi & G.Q. Romero,2017. Crab spider lures prey in flowerless neighborhoods. Scientific Reports 7: 9188. Doi: 10.1038/s41598-017-09456-y

Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on LinkedIn
Geplaatst in mimicry, predatie | Reacties uitgeschakeld voor Bloemetjesjurk

Huichelachtig

Valse poetsvis poetst zijn reputatie op

poetslipvis werkt aan zijn reputatie

Poetsvissen kunnen geslepen zakenlieden zijn die klanten lokken door zich vriendelijker voor te doen dan ze zijn – en die klanten vervolgens te schaden. Want daar komt hun gedrag soms wel op neer, blijkt uit onderzoek van Sandra Binning en collega’s.

Wie een bedrijf heeft, moet zorgen voor een goede naam. Dat geldt ook voor poetsvissen zoals de gewone poetslipvis, Labroides dimidiatus. Zij doen er alles aan om die goede naam te handhaven, zeker als ze zich in werkelijkheid slecht gedragen. Ze werken slim aan hun reputatie, laten Sandra Binning en collega’s zien.
De poetsvissen bemannen, in hun eentje of als paar, een poetsstation op een koraalrif waar ze andere vissen een schoonmaakbeurt aanbieden. De poetsers eten parasieten van hun klanten af. Het is een bloeiende bedrijfstak: een gemiddelde poetser komt zo’n tweeduizend keer per dag in actie bij meer dan honderd klanten; sommige klanten komen tientallen keren op een dag langs. Beide partijen hebben er baat bij: klanten blijven schoon, poetsvissen verdienen een maaltje.
Maar een poetser kan een klant ook duperen: in plaats van hem te bevrijden van parasieten bijt hij dan een hap uit zijn slijmlaag die beschermt tegen onder meer beschadiging en ultraviolette straling. Een poetser heeft graag zo’n hap slijm, want die is voedzaam.

Meestal leveren poetsers goed werk. Ze bijten zelden, en zeker niet als andere vissen het kunnen zien. Ze moeten zich ook wel netjes gedragen, want als ze een klant bijten, zal die ofwel vertrekken naar een ander poetsstation, ofwel de poetser van zijn plek verjagen, zodat die een tijdje niet kan werken. Sommige klanten zijn roofvissen, die de poetser kunnen opeten als hij zich slecht gedraagt. En dan zijn er nog omstanders, waaronder wachtende of potentiële klanten. Zij kunnen het goed zien als een poetser een klant bijt tijdens een schoonmaakbeurt, want het slachtoffer maakt dan onwillekeurig een schokbeweging. Dat is voor de omstanders een teken om zich niet door die poetser te laten behandelen.

Toch gaan poetsvissen soms de fout in, vooral vrouwtjes in het broedseizoen; ze hebben dan veel energie nodig en de verleiding om in het voedzame slijm te bijten is groot.

De bijtgrage poetsers lopen risico om klanten te verliezen. Daarom proberen ze een goede indruk te maken: ze doen extra vriendelijk tegenover kleine klanten door hen uitvoerig met hun buikvinnen over de rug te strelen.
Klanten hebben dat graag. Eerlijke poetsers strelen een klant af en toe even om hem ertoe over te halen zich te laten inspecteren en schoonmaken. Of om het weer goed te maken met een klant die ze hebben gebeten, zodat die niet weggaat of agressief wordt. Of om een roofvis te vriend te houden. Ze hebben daar wat voor over, want terwijl ze strelen, kunnen ze niet eten.
Maar bijtende poetsers die kleine klanten strelen hebben daar heel andere beweegredenen voor, hadden de onderzoekers eerder al geconstateerd. Aan een kleine klant kunnen ze niet zoveel ‘verdienen’, want hoe kleiner een klant, hoe minder parasieten en hoe minder slijm hij heeft. Ze strelen hem dan ook niet uitvoerig om hem gunstig te stemmen; dat zou nauwelijks de moeite waard zijn en het is vaak helemaal niet nodig. Nee, ze doen het om de omstanders te misleiden: kijk mij eens vriendelijk zijn. Als een grotere klant die aardigheid tegenover het kleintje ziet, zal hij zich makkelijker melden voor een schoonmaakbeurt. Dan is hun opzet geslaagd: ze kunnen een flinke hap slijm nemen.

Nu laten de onderzoekers zien dat bijtende poetsers dat huichelachtige gedrag alleen tentoonspreiden als dat zin heeft, dat wil zeggen als er veel klanten en veel concurrerende poetsstations in de buurt zijn. Dan strelen ze vaak de kleine klanten en bijten ze vaak de grote klanten die daardoor misleid werden. Maar in een omgeving met weinig klanten en concurrenten bijten ze hun kleine klanten ook. Ze zijn alleen maar vriendelijk als ze gezien worden.

Willy van Strien

Foto: Gewone poetslipvis, Labriodes dimidiatus, met klanten. Keith Wilson (via Flickr, Creative Commons CC BY-NC 2.0

Zie ook:
Klantvriendelijk karakter
Schoonmakers in het gareel

Bronnen:
Binning, S.A., O. Rey, S, Wismer, Z. Triki., G. Glauser, M. C. Soares & R. Bshary, 2017. Reputation management promotes strategic adjustment of service quality in cleaner wrasse. Scientific Reports 7: 8425. Doi: 10.1038/s41598-017-07128-5
Pinto, A., J. Oates, A. Grutter & R. Bshary, 2011. Cleaner wrasses Labroides dimidiatus are more cooperative in the presence of an audience. Current Biology 21: 1140-1144. Doi: 10.1016/j.cub.2011.05.021
Bshary, R. & A.S. Grutter, 2006. Image scoring and cooperation in a cleaner fish mutualism. Nature 441: 975-978. Doi: 10.1038/nature04755
Bshary, R., 2002. Biting cleaner fish use altruism to deceive image-scoring client reef fish. Proc. R. Soc. Lond. B 269: 2087-2093. Doi: 10.1098/rspb.2002.2084
Bshary, R. & M. Würth, 2001. Cleaner fish Labroides dimidiatus manipulate client reef fish by providing tactile stimulation. Proc. R. Soc. Lond. B 268: 1495-1501. Doi: 10.1098/rspb.2001.1701

Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on LinkedIn
Geplaatst in samenwerking | Reacties uitgeschakeld voor Huichelachtig

Succesvolle imitatie

Bosmierspringspin misleidt roofvijand met mierenloopje

bosmierspringspin Myrmarachne formicaria aapt een mier na

De bosmierspringspin aapt met succes het loopje van mieren na. Grotere spinnen die op kleine beestjes jagen trappen erin. Ze laten het spinnetje vaak met rust, zoals ze ook een mier niet gauw zullen aanvallen, zagen Paul Shamble en collega’s.

De bosmierspringspin Myrmarachne formicaria, een diertje van ongeveer een halve centimeter lang, heeft wel wat weg van een mier; hij is bijvoorbeeld behoorlijk slank voor een spin. Die gelijkenis is er niet voor niets. Veel roofvijanden, vooral grotere spinnen en wespen, pakken graag een spin maar laten een mier meestal lopen. Die kan immers bijten, een brandend zuur spuiten of een pijnlijke steek uitdelen om zich te verdedigen, en krijgt vaak hulp van nestgenoten. Dat schrikt veel vijanden af. Door een mier na te bootsen kan een kleine spin zijn roofvijanden op afstand houden.
Maar een uiterlijke gelijkenis is daarvoor niet genoeg. Een spin die voor mier wil doorgaan zal zich ook als een mier moeten bewegen.
Dat is een fikse opgave, schrijven Paul Shamble en collega’s. Want spinnen lopen op acht poten en mieren op zes, en de poten zijn bovendien anders gespierd: dat vraagt een wat andere looptechniek. Spinnen lopen in een vrij rechte lijn, terwijl mieren grote lussen maken – tenzij ze een geurspoor van nestgenoten volgen: dat doen ze met een typische, regelmatig slingerende zigzagbeweging. Springspinnen, de groep waartoe Myrmarachne formicaria behoort, jagen lopend; ze gaan steeds een stukje vooruit en staan dan een lange tijd stil om niet op te vallen. Mieren daarentegen rennen voortdurend rusteloos voort. Als springspinnen een prooi zien, springen ze daar van een grote afstand naartoe; mieren springen niet.
Een springspin die voor mier wil spelen moet zijn bewegingen dus behoorlijk aanpassen. Doet de bosmierspringspin dat?

Met drie hogesnelheidscamera’s tegelijk filmden de onderzoekers bosmierspringspin, andere springspinnen, die gewoon zichzelf zijn, en mieren, terwijl de dieren over een glasplaat liepen en analyseerden de looppatronen. Ze ontdekten dat een lopende bosmierspringspin meesterlijk mieren imiteert.
Hij loopt net als andere spinnen op acht poten, dat wel. Maar die poten beweegt hij op een mierachtige manier. Hij loopt met rukjes, zoals springspinnen nu eenmaal doen, maar hij staat steeds veel korter stil dan andere springspinnen. En als hij stilstaat heft hij zijn voorpoten op, zodat het lijkt alsof hij, net als mieren, drie paar poten en een paar antennen heeft. Hij loopt zigzaggend  in een rechte lijn, zoals een mier die een geurspoor volgt, en de onderzoekers zagen hem nooit een sprong maken.

Het mooiste onderdeel van het onderzoek is dat Shamble videoanimaties maakte van een bosmierspringspin, een andere springspin en een mier en die vertoonde aan een grote spin. Die zag de animaties als mogelijke hapjes, maar vond ze duidelijk niet allemaal even aantrekkelijk. Hij ging veel eerder op het scherm af als daar een animatie van een kleine spin te zien was dan wanneer er een mier verscheen. En het belangrijkste: hij had weinig neiging om het model van een bosmierspringspin aan te vallen.
De bosmierspringspin houdt grote spinnen dus voor de gek door het uiterlijk én de beweging van een mier na te bootsen, en is daarmee veilig voor deze belagers. Maar of roofvijanden met beter gezichtsvermogen, zoals spitsmuizen, vogels, padden of hagedissen, er ook in trappen, is de vraag.

Willy van Strien

Foto: Jeff Burcher (via Flickr. Creative Commons CC BY-NC-ND 2.0)

Bron:
Shamble, P.S., R.R. Hoy, I. Cohen & T. Beatus, 2017. Walking like an ant: a quantitative and experimental approach to understanding locomotor mimicry in the jumping spider Myrmarachne formicaria. Proc. R. Soc. B 284: 20170308. Doi: 10.1098/rspb.2017.0308

Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on LinkedIn
Geplaatst in mimicry | Reacties uitgeschakeld voor Succesvolle imitatie

Achter het behang geplakt

Slakkenhuis als wapen tegen parasitaire wormpjes

huisje van gewone tuinslak kapselt parasitaire wormpjes in

Parasitaire wormpjes die een slakkenhuisje inkruipen worden soms door de cellen van de binnenbekleding van dat huisje gevangen, ingekapseld en tegen de wand gezet, laat Robbie Rae zien.

Dankzij het huisje kan een huisjesslak tegen een stootje. Het huisje beschermt hem tegen beschadiging, roofvijanden, hitte en kou, droogte en regen. Maar er is meer, ontdekte Robbie Rae. Slakken gebruiken hun huisje ook om parasitaire rondwormpjes (nematoden) uit te schakelen. Deze parasieten vallen de slakken al lastig sinds die op aarde verschenen, zo’n 400 miljoen jaar geleden. Dat slakken iets hebben ontwikkeld om zich tegen hen te verweren is dus logisch, maar tot nu was geen verdedigingsmethode bekend.

Rae stelde in het lab een aantal gewone tuinslakken (Cepaea nemoralis) gedurende een aantal weken bloot aan rondwormpjes van de soort Phasmarhabditis hermaphrodita. Dit in de bodem levende diertje van nog geen 2 millimeter lang kan veel soorten slakken infecteren en uiteindelijk doden, maar er zijn ook slakken waarop het geen vat heeft, waaronder de gewone tuinslak; zij zijn tegen hem bestand. Rae volgde de confrontatie tussen tuinslak en wormen om erachter te komen hoe de slak de parasieten uitschakelt.

rondwormpjes aan het slakkenhuis geplakt Daarbij blijkt de binnenbekleding van het huisje cruciaal te zijn. Cellen die deel uitmaken van die bekleding hechten zich aan een naar binnen gekropen wormpje, vermenigvuldigen zich en verspreiden zich over het beestje totdat het helemaal bedekt is. Het wormpje wordt met de cellaag verankerd aan de binnenkant van het huisje en gaat dood. Tuinslakken kapselen op deze manier niet alleen dit dodelijke wormpje in, maar ze gebruiken de afweerreactie ook tegen minder schadelijke rondwormpjes, bleek uit proeven.

En buiten gebeurt dat volop. Rae verzamelde gewone en witgerande tuinslakken (Cepaea hortenis) in het veld en zag dat veel slakken verschillende soorten wormpjes ‘achter het behang geplakt’ hebben, tot soms wel 100 exemplaren per huisje.  Ook de segrijnslak (Cornu aspersum) – net als de tuinslakken een huisjesslak die in Nederland voorkomt – maakt binnengedrongen wormpjes op deze manier onschadelijk.
Tenslotte bekeek hij een groot aantal huisjesslakken uit museumcollecties en constateerde dat heel veel soorten slakken parasieten kunnen inkapselen. Gevangen wormpjes blijven voorgoed aan de wand vastgehecht; ze zijn zelfs terug te vinden in slakken die al een paar honderd jaar dood zijn. Omdat dit verdedigingsmechanisme wijd verspreid is binnen de grote en oude groep van de landslakken, moet het al zo’n 100 miljoen jaar oud zijn. Zelfs enkele naaktslakken schakelen parasitaire rondwormen op deze manier uit. Ze hebben in de loop van de evolutie hun huisje verloren, maar bij veel soorten is er een restant van over, en daarmee kunnen ze wormpjes vangen en inkapselen.

Een soort huisjesslak die zich niet tegen het rondwormpje Phasmarhabditis hermaphrodita kan verdedigen is de bolle duinslak (Cernuella virgata). Kennelijk weet het wormpje zijn afweerreactie te blokkeren. Ook veel naaktslakken zijn niet tegen de parasiet opgewassen, en het wormpje is dan ook op de markt als biologisch bestrijdingsmiddel tegen plantenetende naaktslakken.

Willy van Strien

Foto’s:
Groot: gewone tuinslak, Cepaea nemoralis. Kristian Peters (Wikimedia Commons, Creative Commons CC BY-SA 3.0)
Klein: wormpjes tegen de wand van een slakkenhuis geplakt. © Robbie Rae

Bron:
Rae, R., 2017. The gastropod shell has been co-opted to kill parasitic nematodes. Scientific Reports 7: 4745. Doi: 10.1038/s41598-017-04695-5

Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on LinkedIn
Geplaatst in verdediging | Reacties uitgeschakeld voor Achter het behang geplakt

Slagwerk

Zwarte kaketoe drumt met zelfgemaakte drumstok

Zwarte kaketoe maakt zelf een drumstok

Met een vrouwtje als publiek slaan zwarte kaketoes vaak met een stok op een holle tak of stam. Robert Heinsohn en collega’s hoorden dat de vogels daarbij een strak ritme aanhouden en dat elke man zijn eigen stijl heeft.

Een mannetje van de zwarte kaketoe (of palmkaketoe) uit Noord-Australië kan verschillende geluiden laten horen en zijn kuif overeind zetten. Dat is al indrukwekkend, maar wat pas echt bijzonder is: hij speelt soms een partijtje drum.
Een man die als slagwerker gaat optreden breekt een tak af, verwijdert de bladeren, maakt de stok op lengte (zo’n 20 centimeter), klemt hem in een van beide poten en begint er herhaaldelijk mee te slaan op een holle tak of stam. In plaats van een stok gebruikt hij soms een zaaddoos van een bepaalde boom (Grevillea glauca) nadat hij die met zijn snavel heeft bijgewerkt. Hij kan een tijdlang doorgaan met drummen, tot 90 slagen aan toe.
Opvallend is dat hij er niet willekeurig op los mept, maar in een keurig ritme slaat, zoals Robert Heinsohn en collega’s vaststelden. Ze merkten ook dat elk mannetje een eigen stijl heeft; de een slaat langzaam in een vast ritme, de ander heeft een wat hoger tempo of wisselt een langzaam deel af met een sneller stukje.

Wat voor bedoeling een man heeft met zijn optreden, is nog niet bekend. Zwarte kaketoes vormen monogame paren die een groot territorium bezetten. Het geluid draagt niet zo ver dat ze al drummend met de buren kunnen communiceren; een man speelt altijd solo. Omdat het vrouwtje bij de meeste optredens aanwezig is, is de percussie waarschijnlijk voor haar bedoeld, en misschien is het voor hem een manier om haar te vertellen wat zijn conditie of leeftijd is; de vogels kunnen ouder dan 50 jaar worden. Of vrouwen de muziek mooi vinden en wat voor ritme ze graag horen, is niet bekend.

Willy van Strien

Foto: Christoph Lorse (Via Flickr. Creative Commons CC BY-NC-SA 2.0)

De onderzoekers vertellen over hun werk op You Tube;
kort fragment met drummende kaketoe.

Bron:
Heinsohn, R., C.N. Zdenek, R.B. Cunningham, J.A. Endler & N.E. Langmore, 2017. Tool-assisted rhythmic drumming in palm cockatoos shares key elements of human instrumental music. Science Advances 3: e1602399. Doi: 10.1126/sciadv.1602399

Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on LinkedIn
Geplaatst in communicatie, seksueel gedrag | Reacties uitgeschakeld voor Slagwerk

Plakken en pakken

Bodemjachtspin overmeestert prooi met lijmdraden

bodemjachtspin vangt prooi met lijmdraden

Is een prooi gevaarlijk? Stribbelt hij tegen? Veel bodemjachtspinnen weten daar wel raad mee. Ze omzwachtelen de poten van hun slachtoffer met draden waar een laag taaie lijm op zit, laten Jonas Wolff en collega’s zien.

Bodemjachtspinnen vangen hun prooien niet door een web te maken, maar ze doen precies zoals hun naam zegt: ze bejagen ze op de bodem. Voor sommige van hen is dat een riskante onderneming, omdat zij op grote of gevaarlijke prooien afgaan, zoals mieren en andere spinnen. Jonas Wolff en collega’s achterhaalden hoe zij erin slagen om die prooien te overmeesteren.
Bodemjachtspinnen (Gnaphosidae) komen overal ter wereld voor. In Nederland leven ongeveer 35 soorten; zij hebben mooie namen, zoals mierendief, harige muisspin en stalmuursluiper.
Wolff filmde het gedrag van een aantal bodemjachtspinnen die een mogelijk slachtoffer in het oog krijgen en analyseerde de beelden.

Een bodemjachtspin probeert een prooi eerst met zijn voorpoten te pakken, zo bleek. Lukt dat niet omdat het slachtoffer groot of weerbarstig is, dan schakelt hij al gauw over op een andere tactiek. Hij brengt plakkerige draden aan op de bodem en rond de poten en monddelen van de tegenstander. Die raakt verstrikt en kan niet veel meer doen, al weet een gelijmde spin soms nog gemeen te bijten – de jacht blijft gevaarlijk.
Andere spinnensoorten maken niet zulke lijmdraden. Spinnenzijde wordt gemaakt in zijdeklieren, en de onderzoekers vergeleken daarom de zijdeklieren van bodemjachtspinnen met die van andere spinnen. Ze vonden duidelijke verschillen.

Er zijn verschillende typen zijdeklieren om verschillende soorten zijde te kunnen spinnen. De klieren produceren een vloeibaar mengsel van zijde-eiwitten en hebben een taps toelopende afvoerbuis die eindigt in een tuitje op een spintepel. Spinnen hebben een tot vier paar spintepels op het achterlijf; ze maken draden door het eiwitmengsel door de nauwe opening van een tuitje naar buiten te trekken.
Op het grootste paar spintepels zit bij de meeste spinnen een tuitje van een grote ampullate klier (er is geen Nederlandse naam). Die levert de sterke zijde waar webbouwende spinnen de dragende draden van hun web van maken; ook de draad waaraan spinnen zich kunnen laten vallen bestaat uit deze zijde. Daarnaast zijn er de openingen van een aantal kleine piriforme klieren. Die leveren korte, kleverige zijdevezels die spinnen omvormen tot ‘plakkertjes’ waarmee ze de draden van hun web op de kruispunten aan elkaar lijmen, of het web of de valdraad aan bijvoorbeeld een boom vastmaken.
De klieren van bodemjachtspinnen die met lijmdraden werken zijn anders. De ampullate klieren zijn bij hen in verhouding maar klein, terwijl de piriforme klieren sterk vergroot zijn en forse tuiten hebben. Deze grote piriforme klieren maken de zijde voor de draden waarmee de spinnen hun prooien immobiliseren. De draden zijn bedekt met een laag buigzame, taaie lijm, perfect om een tegenstribbelende prooi in bedwang te houden.

De bodemjachtspinnen hebben dus een nieuwe vorm en toepassing van piriforme zijde ontwikkeld en de bouw van de zijdeklieren is aangepast. Gevolg is wel dat deze spinnen geen stevige draden kunnen maken en ook geen goed functionerende plakkertjes. Net als veel andere spinnen bouwen ze een zijden nest om in te schuilen (van nog weer een ander type zijde), maar ze kunnen dat nest minder goed aan de ondergrond bevestigen. Dat is de prijs die ze betalen voor hun exclusieve jachtmethode.

Willy van Strien

Foto:
Stalmuursluiper Scotophaeus blackwalli. Richard Pigott (via Flickr; Creative Commons CC BY-SA 2.0)

Bron:
Wolff, J.O., M. Řezáč, T. Krejčí & S. Gorb, 2017. Hunting with sticky tape: functional shift in silk glands of araneophagous ground spiders (Gnaphosidae). Journal of Experimental Biology 220: 2250-2259. Doi: 10.1242/jeb.154682

Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on LinkedIn
Geplaatst in predatie | Reacties uitgeschakeld voor Plakken en pakken

Zoenlippen

Vis kust hard koraal om ervan te eten

Lipvis Labropsis australis kust het koraal om ervan te eten

Als een van de weinige vissoorten voedt Labropsis australis zich met hard koraal. Hij heeft speciale lippen waarmee hij dat ongestraft kan doen, laten Victor Huertas en David Bellwood zien.

Labropsis australis: lippen met lamellenDe bek van Labropsis australis ziet er op het oog niet ongewoon uit voor een vis. Maar hij heeft vreemde lippen, zo werd duidelijk toen Victor Huertas en David Bellwood een zeer sterke vergrote afbeelding van de vissenbek maakten. De lippen vormen een vooruitstekende buis als ze gesloten zijn; ze zijn dik en vlezig en hebben plaatjes (lamellen) die doen denken aan de onderkant van een champignon. Ze zijn bedekt met een dikke laag slijm, geproduceerd door slijmklieren.
Dat is opmerkelijk, want de meeste lipvissen, de groep waar Labropsis australis toe behoort, hebben dunne, gladde lippen die niet slijmerig zijn en niet vooruitsteken.
Labropsis australis is een ‘buislipvis’.

De rare lippen hebben te maken met een ongewoon dieet, schrijven de onderzoekers. Het visje, dat leeft op het Groot Barrièrerif bij de noordkust van Australië, eet van hard koraal – en dat is niet makkelijk. De koralen hebben namelijk een messcherp skelet, bekleed met weefsel dat gemeen stekende netelcellen bevat, zoals kwallen die ook hebben. Daar blijven de meeste vissen dus vanaf. Maar Labropsis australis lijkt nergens last van te hebben.
De biologen filmden het gedrag van de vis met een hogesnelheidscamera om te zien hoe hij precies eet. Als de vis toehapt, zo zagen ze bij vertraagd afspelen, sluit hij zijn bek, perst zijn lippen naadloos op een stuk koraal en slurpt krachtig en snel een portie koraalslijm met wat weefsel naar binnen. Dat gaat gepaard met een hoorbare plop: het is net een kus.

Het slijm van de lippen speelt daarbij een sleutelrol, denken de auteurs. Dankzij de dikke slijmlaag blijft de vis ongedeerd, want de scherpe randjes en de stekende cellen van het koraal komen daar niet doorheen.

Willy van Strien

Foto’s: © Victor Huertas en David Bellwood
Groot: De lipvis Labropsis australis
Klein: Beeld van de lippen van Labropsis australis

De etende lipvis op een filmpje van Victor Huertas en David Bellwood

Bron:
Huertas, V. & D.R. Bellwood, 2017. Mucus-secreting lips offer protection to suction-feeding corallivorous fishes. Current Biology 27: R399–R407. Doi: 10.1016/j.cub.2017.04.056

Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on LinkedIn
Geplaatst in eetgewoonten | Reacties uitgeschakeld voor Zoenlippen

Zoethoudertje

Wilde bijtjes kunnen wel even zonder bloemetjes

Andrena-bij eet honingdauw als er geen bloemen zijn

Als wilde bijen in het voorjaar actief worden in Californië zijn daar nog geen bloemen met nectar, waar ze energie aan kunnen ontlenen. Om te overleven maken ze dan tijdelijk gebruik van zoete honingdauw, ontdekten Joan Meiners en collega’s.

Wat hebben bijen te zoeken bij een struik die niet in bloei staat? Bijen zijn immers onafscheidelijk van bloemen. Daar halen ze suikerrijke nectar en eiwitrijk stuifmeel uit, noodzakelijke stoffen voor zichzelf en hun larven.
Toch trof Joan Meiners in het Pinnacles National Park in Californië veel wilde bijen van verschillende soorten aan bij struiken waar geen bloem aan te vinden was.

Met een serie experimenten kwamen zij en haar collega’s erachter wat die bijen zoeken bij de niet-bloeiende struiken. Het is hen om de honingdauw te doen, het suikerrijke goedje dat schildluizen produceren; de schildluizen zuigen plantensappen op en scheiden uit wat ze daar niet van gebruiken. Er komen alleen bijen op af in het vroege voorjaar, als ze net zijn uitgekomen en er nog nauwelijks bloemen bloeien. Het zijn allemaal solitaire soorten, dat wil zeggen dat ze niet in kolonies leven waar een voorraad nectar aanwezig is. Honingdauw blijkt aan het begin van het seizoen een alternatieve suikerbron te zijn voor deze bijen: een nieuwe bevinding.

De vraag is wel hoe bijen dat alternatieve voedsel vinden. Ze kunnen uitstekend zoeken op kleuren en geuren. Bloemen zijn afhankelijk van bijen voor hun bestuiving, want doordat bijen meerdere bloemen na elkaar bezoeken brengen ze stuifmeel over van de meeldraden van de ene bloem naar de stamper van de volgende, zodat die bloem na bevruchting zaden kan vormen. Omdat bijen onmisbaar zijn, lokken bloemen hen met opvallende geuren, kleuren en vormen.
Toch vinden die de kleurloze, geurloze honingdauw ook.
Gaan ze misschien af op de zwarte schimmel die op de honingdauw woekert? Nee, constateerden de onderzoekers nadat ze een aantal takken zwart geverfd hadden: het is niet de kleur die bijen trekt. Zijn het dan de schildluizen zelf die de bijen op de honingdauw attenderen? Ook dat was het niet, want als die beestjes tijdelijk inactief gemaakt werden met een mild anti-insectenmiddel, bleven de bijen weg. Ze kwamen alleen als de schildluizen honingdauw aan het produceren waren.
Maar uit proeven bleek ook dat ze takjes waarop een suikeroplossing gespoten was wél snel weten te vinden.

De biologen denken dat de bijen voortdurend op zoek zijn naar voedsel. Als één bij honingdauw vindt en daarbij blijft hangen, merken andere bijen dat op en gaan ze er ook op af.

Met de honingdauw als extra energiebron kunnen veel wilde bijen een poosje leven zonder nectar; ze zijn niet helemaal van bloemen afhankelijk. Maar uiteindelijk hebben ze wel bloemen nodig, want de larven groeien niet op een dieet van alleen suikers. Zij moeten veel eiwitten binnen krijgen en die zitten alleen in stuifmeel. Elk vrouwtje moet in het voorjaar stuifmeel voor haar nakomelingen verzamelen.
Als er eenmaal bloemen verschijnen, hebben de bijen geen belangstelling meer voor honingdauw en kiezen ze voor de bloemen. De wederzijdse dienstverlening van bij en bloem – bestuiving in ruil voor voedsel – komt dus niet in gevaar.

Willy van Strien

Foto: © Paul G. Johnson

Bron:
Meiners, J.M, T.L. Griswold, D.J. Harris & S.K.M. Ernest, 2017. Bees without flowers: before peak bloom, diverse native bees find insect-produced honeydew sugars. The American Naturalist, 30 mei online. Doi: 10.1086/692437

Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on LinkedIn
Geplaatst in bestuiving, energie | Reacties uitgeschakeld voor Zoethoudertje

Snelle plant

Watervlo is kansloos tegen blaasjeskruid

loos blaasjeskruid, een vleesetende waterplant

Van ontsnappen is geen sprake als een watervlo een vangblaasje van blaasjeskruid raakt. Binnen een fractie van een seconde klapt het deurtje van de val open en dicht en is de watervlo verdwenen. Het gaat met een kracht waartegen het beestje zich niet kan verzetten, laten Simon Poppinga en collega’s zien: het is meteen uitgeschakeld.

Sommige vleesetende planten, die hun voedingsstoffen uit dierlijke prooien halen, hebben dichtklappende vallen waarmee ze insecten of andere kleine beestjes vangen. Die vallen zijn razendsnel. Kampioen zijn blaasjeskruidsoorten die in water leven, schrijven Simon Poppinga en collega’s.
groot blaasjeskruid, blad met vangblaasjesBoven water zijn van deze drijvende waterplanten alleen de stengels met gele bloemen te zien. Die doen niet vermoeden dat de planten onder water zo gevaarlijk zijn. Daar hebben ze veerdelige bladeren met vangblaasjes. Met een hogesnelheidscamera filmden de onderzoekers hoe vangblaasjes van loos blaasjeskruid een watervlo opzuigen.

De blaasjes zijn gevuld met water, soms ook met wat lucht, en doordat ze constant water naar buiten pompen heerst er een onderdruk. Ze zijn afgesloten met een buigzaam deurtje dat aan de bovenkant vastzit en aan de onderkant op een drempel rust. Het deurtje is bol naar buiten toe. Er staan wat haren op die reageren op aanraking.

Als een watervlo zo’n haar raakt, is hij verloren. Dan klapt de deur om van bol naar hol. In die positie kan hij de waterdruk van buiten niet weerstaan, dus hij zwaait naar binnen toe open. Met een snelheid die tot wel 4 meter per seconde kan oplopen schiet de watervlo dan met het instromende water door de deuropening. Hij is volkomen machteloos. Binnen komt de waterstroom bijna tot stilstand; de sterke versnelling en vertraging zijn genoeg om het diertje te versuffen en misschien zelfs te doden. Bewegen doet het in elk geval niet meer, en als het nog leeft, zal het snel stikken – zonder doodstrijd.
Het deurtje slaat dicht en neemt de bolle vorm weer aan. Het hele vangproces heeft slechts een honderdste seconde geduurd. De prooi zal binnen een paar uur zijn verteerd.

Loos blaasjeskruid komt in Nederland voor, net als groot of gewoon blaasjeskruid, dat er erg op lijkt. De planten zijn zeldzaam.

Willy van Strien

Foto’s:
Groot: loos blaasjeskruid. Abalg (via Wikimedia Commons. Creative Commons CC BY 3.0)
Klein: bladeren met vangblaasjes van groot blaasjeskruid. H. Zell (via Wikimedia Commons. Creative Commons CC BY-SA 3.0)

Bron:
Poppinga, S., L.E. Daber, A.S. Westermeier, S. Kruppert, M. Horstmann, R. Tollrian & T. Speck, 2017. Biomechanical analysis of prey capture in the carnivorous Southern bladderwort (Utricularia australis). Scientific Reports 7: 1776. Doi:10.1038/s41598-017-01954-3

Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on LinkedIn
Geplaatst in predatie | Reacties uitgeschakeld voor Snelle plant