Microleger

Wolk zelfstandig opererende tangetjes beschermt zee-egel

Tripneustes gratilla laat een wolk gemene tangetjes los

Wanneer een hongerige vis in de buurt komt, laat de zee-egel Tripneustes gratilla een wolk van bijtende, giftige tangetjes los. Daar heeft zo’n vis niet van terug. Hannah Sheppard-Brennand en collega’s beschreven deze bijzondere verdediging.

Aan zee-egels en zeesterren vallen vooral de flinke stekels op, maar daartussen zitten ook nog een heleboel kleine ‘tangetjes’ op een beweeglijke steel, de pedicellariae. Die kunnen verschillende taken uitvoeren: ze vangen voedsel, verwijderen vuil – en ze plagen roofvijanden. Want al zien zee-egels en zeesterren er met al hun stekels niet uit als een aantrekkelijke prooi, toch zijn er dieren, onder meer vissen, die azen op hun uitstulpbare voetjes en ander zacht weefsel.
Sommige zee-egels hebben speciale tangetjes om met zulke vijanden af te rekenen, tangetjes die zijn uitgerust met tanden en een zakje gif. Wie wel eens op zo’n zee-egel trapte heeft zeker kennisgemaakt met deze gemene en pijnlijke dingetjes.

Een zee-egelsoort, Tripneustes gratilla, wacht niet af tot hij aangevreten wordt, maar laat zijn giftige bijtertjes al eerder in actie komen, laten Hannah Sheppard-Brennand en collega’s zien. Wordt deze zee-egel lastiggevallen, dan laat hij een wolk van tangetjes los in het water. De afgestoten tangetjes opereren daar zelfstandig. Ze kunnen zich voortbewegen en voelen, en ze zullen zich vastbijten in een vermeende vijand en hun gif inspuiten.

Vissen houden er niet van om op zo’n zwerm te stuiten, blijkt uit proeven in het lab, en zullen rechtsomkeert maken nog voordat ze een hapje van de zee-egel genomen hebben. Beschermd door zijn bijzondere verdedigingsleger kan Tripneustes gratilla niet alleen ’s nachts, maar ook overdag veilig grazen van algen en zeegras, als andere zee-egels zich maar liever verscholen houden.

Willy van Strien

Foto: Tripneustes gratilla met een wolk van tangetjes. © Hannah Sheppard Brennand

Bron:
Sheppard-Brennand, H., A.G.B. Poore & S.A. Dworjanyn, 2017. A waterborne pursuit-deterrent signal deployed by a sea urchin. The American Naturalist 189, online March 27. Doi: 10.1086/691437

Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on LinkedIn
Geplaatst in verdediging | Reacties uitgeschakeld voor Microleger

Reinigend haar

Honingbij wrijft zich de ogen uit na bloembezoek

Honingbij snel weer schoon na bloembezoek

Een bezige bij wordt vies: ze komt onder het stuifmeel te zitten van de bloemen die ze bezoekt. Maar binnen een paar minuten ziet ze er weer piekfijn uit, schrijven Guillermo Amador en collega’s, dankzij haar beharing.

Een honingbij die op een bloem is geweest om nectar of stuifmeel te halen, kan daarna helemaal geel zien van de stuifmeelkorrels. Dat is lastig, vooral als ook haar ogen en antennen onder zitten zodat ze niet goed kan zien en ruiken. Maar het ongemak duurt maar even, want terwijl ze vliegt weet ze alle stuifmeel binnen een paar minuten weg te werken, laten Guillermo Amador en collega’s zien. Ze stopt het in korfjes op de achterpoten om mee te nemen naar het nest als voedsel voor de jongen, of ze laat het vallen.
Met hogesnelheidscamera’s filmden de onderzoekers het schoonmaakproces van een aantal honingbijen die ze hadden bestoven met stuifmeel, onder meer van paardenbloem. Ze hadden de bijen tijdelijk met de rug aan een dunne draad geplakt, zodat ze al vliegend op dezelfde plaats bleven hangen – voor de camera’s. Aan de filmbeelden was te zien dat het geheim van de snelle schoonmaakactie schuilt in de beharing van de beestjes.

Een met stuifmeel overdekte honingbij maakt eerst haar ogen vrij. Die zijn behaard en de haren staan precies zo dicht bij elkaar dat de stuifmeelkorrels, die plakkerig zijn, niet tussen de haren terecht kunnen komen, maar op de punten blijven hangen. Daar zijn ze makkelijk weer weg te vegen. De voorpoten hebben daar speciale borsteltjes voor, met haren die veel dichter op elkaar staan dan die van de ogen, zodat de stuifmeelkorrels er beter op plakken.
Met een snelle beweging halen de bijen een voorpoot over een oog, van boven naar onder, en vegen daarmee vrijwel alle korrels op die door de borstel worden geraakt. Ongeveer twaalf keer vegen, zo rekenen de onderzoekers voor, is genoeg om het hele oogoppervlak schoon te wissen. En inderdaad: de bijen wrijven elk oog 10 à 20 keer uit. Na elke haal zijn ze een paar seconden bezig om het opgeveegde stuifmeel van de borstel te halen met de andere poten of de mond.

De beharing van de ogen (en de rest van het lichaam) en de haren van de borstels aan de voorpoten zijn er precies op gemaakt dat een honingbij het stuifmeel dat na een bloembezoek aan haar lijf plakt weer snel kan verwijderen, is de conclusie.
Toch moet er wel iets van het stuifmeel blijven zitten, zodat het bij een volgende bloem op de stamper terecht kan komen. Anders zouden bijen geen bloemen kunnen bestuiven.

Willy van Strien

Foto: Honingbij verzamelt stuifmeel. Jon Sullivan (Wikimedia Commons, Public Domain)

Een filmpje van een honingbij die het stuifmeel uit haar ogen veegt

Bron:
Amador, G.J., M. Matherne, D. Waller, M. Mathews, S.N. Gorb & D.L. Hu, 2017. Honey bee hairs and pollenkitt are essential for pollen capture and removal. Bioinspiration & Biomimetics 12:  026015. Doi: 10.1088/1748-3190/aa5c6e

Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on LinkedIn
Geplaatst in bestuiving, zien en horen | Reacties uitgeschakeld voor Reinigend haar

Gifmengers

Mieren maken sterk ontsmettingsmiddel van hars en zuur

Formica paralugubris maakt krachtig middel tegen schimmel

Werksters van de mier Formica paralugubris zijn knappe gifmengers. Ze stellen een krachtig desinfecterend middel samen door hars en mierenzuur te mengen en houden daarmee een ziekmakende schimmel onder controle, laten Thimothée Brütsch en collega’s zien.

Ziekmakende micro-organismen, zoals de veel voorkomende schimmel Metarhizium brunneum, vormen een voortdurende bedreiging voor mierennesten; omdat de mieren dicht op elkaar leven, is het risico groot dat er een epidemie uitbreekt. Mieren moeten hun nest dus goed schoon houden.
En dat doen ze. Zo halen werksters van de bosmier Formica paralugubris, die leeft in de Alpen, grote hoeveelheden uitgeharde hars van naaldbomen, vooral van fijnspar, in het nest als ontsmettingsmiddel, zoals Michel Chapuisat heeft laten zien. De kenmerkende geur van hars komt van terpenen en andere vluchtige stoffen, en die stoffen onderdrukken de groei van bacteriën en schimmels in beschadigde bomen. En dat werkt in mierennesten ook, hebben de mieren ontdekt. Met hars in het nest krijgen bacteriën en schimmels minder kans; daardoor overleven meer larven die zijn blootgesteld aan Metarhizium en hebben volwassen mieren en larven een grotere kans op overleven als een schadelijke bacterie de kop opsteekt.

Nu laten Thimothëe Brütsch en collega’s zien dat de mieren de schimmelwerende werking van de hars weten op te schroeven door er mierenzuur op aan te brengen. Dat zuur, dat ze in hun gifklier maken, werkt op zichzelf al ontsmettend, net als de vluchtige stoffen uit hars. Maar de combinatie van hars en mierenzuur blijkt bijzonder goed te werken; het heeft een groter effect op schimmels dan je zou verwachten op grond van de afzonderlijke effecten van hars en zuur. Dat betekent dat het zuur de desinfecterende werking van het hars versterkt.

Zo verzamelen de mieren niet alleen hars om hun nest te ontsmetten, maar maken ze er ook nog iets beters van.

Willy van Strien

Foto: © Timothée Brütsch

Bronnen:
Brütsch, T., G. Jaffuel, A. Vallat, T.C.J. Turlings & M. Chapuisat, 2017. Wood ants produce a potent antimicrobial agent by applying formic acid on tree-collected resin. Ecology and Evolution, 6 maart online. Doi: 10.1002/ece3.2834
Chapuisat, M., A. Oppliger, P. Magliano & P. Christe, 2007. Wood ants use resin to protect themselves against pathogens. Proceedings of the Royal Society B 274: 2013-2017. Doi: 10.1098/rspb.2007.0531

Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on LinkedIn
Geplaatst in hygiëne | Reacties uitgeschakeld voor Gifmengers

Nepcadeau

Spinnenman fopt vrouw met extra goed verpakte rommel

Mannetje Pisaura mirabilis geeft goed verpakt nepcadeauEen kraamwebspin-mannetje geeft zijn partner vaak waardeloze rommel in plaats van een fatsoenlijke bruidsgift. Van de verpakking maakt hij dan weer wel veel werk, zagen Paolo Ghislandi en collega’s. Dan duurt het extra lang voordat zij het bedrog doorheeft en hem wegstuurt.

Geef je iemand een goedkoop cadeau, pak het dan extra mooi in. Dat is althans de regel bij de kraamwebspin (of grote wolfspin, Pisaura mirabilis), een jagende spin die overal in Europa voorkomt, schrijven Paolo Ghislandi en collega’s. Een mannetje heeft meestal een bruidsgift bij zich als hij een vrouwtje zoekt om mee te paren. En daar zitten, als het goed is, een of enkele prooidiertjes in die hij speciaal gevangen heeft om haar cadeau te doen; hij heeft ze netjes verpakt in zelf gesponnen witte zijde. Een vrouwtje krijgt graag een lekkere hap cadeau en staat zo’n mannetje vrijwel altijd toe om te paren; een mannetje zonder pakje maakt veel minder kans, heeft Maria Albo laten zien.
Vaak vind ze echter geen maaltje in het pakketje, maar de harde resten van een diertje dat het mannetje zelf heeft opgegeten. Of wat stukjes plant. Dat is een teleurstelling, want aan zo’n oneetbare gift heeft zij niets.
Zijn mannetjes met een flutcadeau er te slecht aan toe om een prooi te vangen en weg te geven? Of hebben ze niets beters kunnen vinden?

Nee, het is geen onmacht, maar puur bedrog, zoals Ghislandi opmaakte uit veldwaarnemingen en gedragsproeven met deze spinnen in het laboratorium. Ook een mannetje dat weldoorvoed en zwaar is – en dus makkelijk een prooi zou kunnen bemachtigen en afstaan – scheept een partner vaak af met rommel.
En hij heeft er nog even succes mee ook: een vrouwtje kan aan de buitenkant niet zien of een wit pakje iets eetbaars bevat of niet. Ze paart net zo makkelijk met een mannetje dat een nepcadeau geeft als met een mannetje dat een fatsoenlijk geschenk bij zich heeft.

Maar uiteindelijk wordt een oneerlijke vrijer toch gestraft: de paring duurt maar kort. Een mannetje mag sperma overbrengen terwijl het vrouwtje haar cadeau opeet; is het op, dan moet hij gaan. Als het cadeau nep is, is de paring snel afgelopen. Een mannetje dat bedrog pleegt kan daardoor minder sperma inbrengen dan een eerlijk mannetje. (Een mannetje zonder cadeau mag overigens nog korter zijn gang gaan.)
Dat is een nadeel, omdat een vrouwtje met meerdere mannetjes paart en de zaadcellen van die mannetjes met elkaar moeten concurreren om de eitjes die bevrucht kunnen worden. Hoe meer sperma een mannetje geeft, des te meer zaadcellen hij in de strijd werpt; hij zal dan van meer nakomelingen de vader zijn.

Ghislandi ontdekte ook dat nepcadeaus met veel meer zijde zijn ingepakt dan echte cadeaus. Van de verpakking maken oneerlijke kraamwebspinnen dus wel veel werk. Waarschijnlijk is dat een truc om de paring te rekken, want hoe meer zijde om het pakje zit, hoe langer het duurt voordat een vrouwtje het bedrog doorheeft en een eind maakt aan het samenzijn.
Maar een echt lange paring zit er niet in. En misschien is dat niet zo heel erg: een mannetje dat een vrouwtje voor de gek houdt scoort wel wat minder bevruchte eitjes, maar houdt tijd en energie over om andere vrouwtjes op te zoeken. Daar kan hij zijn voortplantingssucces weer mee opkrikken.

Willy van Strien

Foto: ©Paolo Ghislandi

Zie ook: Alsjeblieft, voor jou!

Bronnen:
Ghislandi, P.G., M. Beyer, P. Velado & C. Tuni, 2017. Silk wrapping of nuptial gifts aids cheating behaviour in male spiders. Behavioral Ecology, 23 februari online. Doi:10.1093/beheco/arx028
Ghislandi, P.G., Albo, M.J., Tuni, C. & T. Bilde, 2014. Evolution of deceit by worthless donations in a nuptial gift-giving spider. Current Zoology 60: 43-51. Doi: 10.1093/czoolo/60.1.43
Albo, M.J., G. Winther, C. Tuni, S. Toft & T. Bilde, 2011. Worthless donations: male deception and female counter play in a nuptial gift-giving spider. BMC Evolutionary Biology 11: 329. Doi: 10.1186/1471-2148-11-329

Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on LinkedIn
Geplaatst in seksueel gedrag | Reacties uitgeschakeld voor Nepcadeau

Kleine vogelverschrikker

Epauletspreeuw deinst terug voor fluitende rups

epauletspreeuw is bang voor fluitende rups

Het is bijna potsierlijk als de kleine rups van het motje Amorpha juglandis plotseling een hoge pieptoon uitstoot. Het jaagt vogels zoveel angst aan dat ze de rups met rust laten, zagen Amanda Dookie en collega’s. Waarom zijn vogels eigenlijk bang voor dit fluitende beestje?

rups van Amorpha juglandis kan fluitenNormaal gesproken zijn vogels niet bang voor een rups. Maar van rupsen van het motje Amorpha juglandis (een soort pijlstaart) kunnen ze behoorlijk schrikken, schrijven Amanda Dookie en collega’s. Dat zijn dan ook bijzondere beestjes: ze gaan gillen als ze worden aangeraakt.
Veronica Bura heeft een paar jaar geleden uitgezocht hoe de rupsen hun hoge pieptoon maken. Ze hebben een stelsel van luchtbuizen met aan weerskanten een rij openingen naar buiten; hierdoor halen ze adem. Om geluid te maken trekt een rups de voorkant van zijn lijf samen, houdt alle openingen dicht behalve het laatste paar en perst daar met kracht lucht uit. En dan ontstaat een fluittoon. Het laatste paar luchtgaten is groter dan de andere, waarschijnlijk speciaal om te kunnen fluiten.
Vaak slaan de rupsen ook met de kop om zich te verdedigen. Dookie wilde weten of de fluittoon op zich voldoende is om vogels angst aan te jagen, en hoe erg ze ervan schrikken.

Ze onderzocht het door vogels te confronteren met het afgespeelde geluid van een rups dat vooraf opgenomen was. Proefdieren waren mannelijke epauletspreeuwen, die net als de mot in Noord Amerika leven. De vogels werden elk in een eigen kooi gehuisvest en kregen vier dagen lang dagelijks meelwormen aangeboden op een schoteltje. Daarna begonnen de proeven. Naast het schoteltje meelwormen waren een bewegingssensor en een luidspreker bevestigd en zo gauw een vogel het schoteltje aanraakte, werd het geluid van een fluitende rups afgespeeld.
Dat miste zijn uitwerking niet: alle vogels schrokken. De meeste vlogen op, sprongen achteruit of klapten met hun vleugels. Na een tijdje probeerden ze opnieuw een meelworm te pakken en kregen ze weer het gefluit te horen. Ze wenden er een beetje aan en reageerden steeds minder heftig. Maar als ze na twee dagen rust opnieuw met het geluid geconfronteerd werden, schrokken ze weer net zo erg als de eerste keer.

Weten de rupsen aan hongerige vogels te ontkomen met hun gefluit? Waarschijnlijk wel. Buiten scharrelen de vogels overal rond. Als een fluitende rups ze angst aanjaagt, laten ze die rups waarschijnlijk met rust en gaan ze verderop voedsel zoeken.

Wat vind een vogel nu eigenlijk zo eng aan een fluitende rups?
Zo’n beestje is niet gevaarlijk of giftig, voor zover bekend. Maar de korte, hoge pieptoon die hij uitstoot is voor de vogels verbonden aan onraad, denken de onderzoekers. Hij lijkt namelijk op de alarmroep die veel vogels laten horen als er gevaar dreigt, en een schrikreactie daarop zit bij vogels ingebakken. Waarschijnlijk maakt de rups gebruik van die schrikreactie.

Willy van Strien

Foto’s:
Groot: epauletspreeuw Agelaius phoeniceus. Janet Beasly (Wikimedia Commons, Creative Commons CC BY-SA 2.0)
Klein: rups van Amorpha juglandis. © Jayne Yack

Bronnen:
Dookie, A.L., C.A. Young, G. Lamothe, L.A. Schoenle & J.E. Yack, 2017. Why do caterpillars whistle at birds? Insect defence sounds startle avian predators. Behavioural Processes, 138: 58-66. Doi: 10.1016/j.beproc.2017.02.002
Bura, V.L., V.G. Rohwer, P.R. Martin & J.E. Yack, 2011. Whistling in caterpillars (Amorpha juglandis, Bombycoidea): sound-producing mechanism and function. The Journal of Experimental Biology 214: 30-37. Doi:10.1242/jeb.046805

Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on LinkedIn
Geplaatst in mimicry, verdediging | Reacties uitgeschakeld voor Kleine vogelverschrikker

Scheve blikken

Inktvis kijkt omhoog met een uitpuilend oog

Histioteuthidae hebben verschillende ogen voor verschillende doelen

Het is donker in de diepzee, en dat stelt hoge eisen aan de ogen van dieren die daar leven. Inktvissen van de familie Histioteuthidae ontwikkelden twee verschillende ogen om aan die eisen te voldoen, schrijven Katie Thomas en collega’s.  

Als symmetrie een kenmerk is van schoonheid, dan zijn volwassen diepzee-inktvissen van de familie Histioteuthidae uitgesproken lelijk. Want naast een normaal rechteroog hebben ze een uitpuilend linkeroog dat twee keer zo groot is en meestal geel gekleurd. Geen gezicht. Maar het is wel functioneel, melden Katie Thomas en collega’s.

Al in 1975 bracht Richard Young een idee naar voren waarom deze inktvissen, die jagen op prooidieren als vissen, garnalen en kleinere inktvissen, twee ogen hebben die zo sterk verschillen.
De dieren leven op honderden meters diepte in oceanen en daar is het vrijwel donker. Van bovenaf dringt nog slechts een heel klein beetje zonlicht door. Hoe vinden de inktvissen in deze duisternis hun voedsel? Van de prooidieren die boven hen zwemmen moeten ze het silhouet zien afsteken tegen de bijna donkere achtergrond. Dat vereist ogen die zeer lichtgevoelig zijn. Onder zich kunnen ze alleen prooien zien die licht geven; veel dieren in de diepzee produceren, om verschillende redenen, felle lichtflitsen. Om die prooien te kunnen vangen moeten de ogen van de inktvissen een groot scheidend vermogen (hoge resolutie) hebben.
Het grote oog van deze inktvissen, dacht Young, is lichtgevoelig en meer geschikt om omhoog te kijken, het kleine oog heeft een groot onderscheidend vermogen en brengt lichtgevende diertjes beneden beter in beeld. Maar omdat de dieren zo diep leven, kon hij ze niet opzoeken en waarnemen om vast te stellen of ze inderdaad hun uitpuilende linkeroog omhoog gericht houden en het andere omlaag.

Tegenwoordig kan dat wel. Het Monterey Bay Aquarium Research Institute (Californië) stuurt al 25 jaar lang op afstand bestuurbare onderwaterrobots de diepte in om video-opnamen te maken. Thomas zocht zulke opnamen af op beelden van de inktvissoorten Histioteuthis heteropsis en Stigmatoteuthis dofleini om te zien hoe die zich gedragen.
Op de beelden zag ze dat volwassen inktvissen bijna steeds de kop schuin naar beneden houden met de tien armen recht voor zich uitgestrekt. En inderdaad: ze draaien hun kop zo dat het grote linkeroog naar boven is gericht en het kleine rechteroog schuin naar beneden. De veronderstelling van Young klopt dus: de dieren hebben twee verschillende ogen die aan verschillende lichtbronnen (zwak achtergrondlicht boven en flitsen in het donker beneden) zijn aangepast.

En waarom is het linkeroog meestal geel?
Veel prooidieren in oceanen beschermen zich tegen de blikken van roofvijanden onder zich door aan de onderzijde licht te geven dat overeenkomt met het zwakke invallende zonlicht, zodat hun silhouet wegvalt de achtergrond. Een geel oog filtert het ultraviolette licht weg, en waarschijnlijk wordt het achtergrondlicht daardoor anders van kleur dan de lichtgevende onderkant van de prooi, zodat die toch weer zichtbaar is.

Willy van Strien

Foto: Jong exemplaar van Histioteuthis heteropsis (niet in zijn normale zwemhouding) © Katie Thomas

Bekijk een video-opname van Histioteuthis heteropsis

Bronnen:
Thomas, K.N., B.H. Robison & S. Johnsen, 2017. Two eyes for two purposes: in situ evidence for asymmetric vision in the cockeyed squids Histioteuthis heteropsis and Stigmatoteuthis dofleini. Phil. Trans. R. Soc. B 372: 20160069. Doi: 10.1098/rstb.2016.0069
Young, R.E., 1975. Function of the dimorphic eyes in the midwater squid Histioteuthis dofleini. Pacific Science 29: 211-218.

Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on LinkedIn
Geplaatst in zien en horen | Reacties uitgeschakeld voor Scheve blikken

Zoeklicht

Lantaarnvis zet koplampjes aan om prooi te vangen

Anomalops katoptron heeft ingebouwde koplampen om prooi te zoeken

Voedsel zoeken in het donker, dat is lastig. Maar niet voor de lantaarnvis Anomalops katoptron: die zet zijn ingebouwde koplampen aan om planktondiertjes te kunnen zien, schrijven Jens Hellinger en collega’s.

De lantaarnvis Anomalops katoptron durft alleen te voorschijn te komen als het pikdonker is. De vis, die leeft bij ondiepe koraalriffen in de Stille Oceaan, houdt zich overdag verscholen in holtes en scheuren in het rif om te voorkomen dat een roofvijand hem ziet. Dankzij zijn donkere kleur valt hij niet op. Alleen in donkere, maanloze nachten komt hij uit zijn hol en waagt hij zich in open water. In een school met soortgenoten gaat hij dan op voedsel uit. Dat voedsel bestaat uit zwemmende planktondiertjes, en het is moeilijk om die in het donker te pakken te krijgen.
Maar de lantaarnvis beschikt over twee lampen: onder elk oog bevindt zich een lichtgevend orgaan dat een blauw schijnsel verspreidt, schrijven Jens Hellinger en collega’s. Het licht wordt gemaakt door bepaalde bacteriën die in grote hoeveelheden en dicht op elkaar gepakt in de organen leven. De bacterie heeft in de vis een veilige leefomgeving, in ruil voor het licht.

De bacteriën produceren hun gloed continu. Maar de vis kan zijn lampen uitzetten door ze te draaien; dan wordt de donkergekleurde achterkant zichtbaar in plaats van de doorzichtige voorkant. Overdag staan de lampen bijna steeds uit, want anders zou de vis ondanks zijn donkere kleur toch nog zichtbaar zijn. Af en toe  ‘knipperen’ de lampen heel even.
Wordt Anomalops katoptron ’s nachts actief, dan knipperen ze vaker, zag Hellinger bij vissen die hij in een aquarium bestudeerde, en het licht is dan de helft van de tijd aan. En als een vis prooidiertjes ontdekt, dan laat hij zijn lampen bijna continu schijnen.

Er zijn veel soorten dieren die licht uitstralen, vooral in zee, en ze gebruiken het voor verschillende doeleinden. De meeste lichtgevende soorten zetten het schijnsel in om roofvijanden weg te jagen of in verwarring te brengen. Diepzeehengelvissen lokken er prooien: hun rugvin is veranderd in een ‘hengel’ met een lichtgevend bolletje waar kleine beestjes op afkomen. En er zijn soorten die met flitspatronen een partner lokken of herkennen; zo geven mannelijke mosselkreeftjes een ware lichtshow weg om vrouwtjes aan te trekken, net als vuurvliegjes dat doen op het land.

Tot nu toe was niet duidelijk waar Anomalops katoptron zijn licht voor gebruikte. Het is vooral om ’s nachts prooien te kunnen zien, blijkt nu.

Willy van Strien

Foto: California Academy of Sciences (via Flickr. Creative Commons CC BY-NC-ND 2.0)

Bron:
Hellinger, J., P. Jägers, M. Donner, F. Sutt, M.D. Mark, B. Senen, R. Tollrian & S. Herlitze, 2017. The flashlight fish Anomalops katoptron uses bioluminescent light to detect prey in the dark. PLoS ONE 12: e0170489. Doi:10.1371/journal.pone.0170489

Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on LinkedIn
Geplaatst in predatie, samenwerking | Reacties uitgeschakeld voor Zoeklicht

Slimmigheidje

Pofadder lokt kikkers met uitgestoken tong

pofadder steekt tong uit om prooi te lokken

Een kikker in Zuid Afrika die denkt een smakelijk wormpje te zien en er op af gaat, kan pech hebben. Soms is zo’n worm de bedrieglijke tong van een slang, schrijven Xavier Glaudas en Graham Alexander, en dan loopt het waarschijnlijk slecht met de kikker af.

De giftige pofadder (Bitis arietans), die leeft in Zuid Afrika, jaagt op zijn prooien vanuit een hinderlaag. Hij is vooral ’s avonds en ’s nachts actief. Met zijn schutkleur en verscholen in de vegetatie wacht hij onopvallend tot er een slachtoffer in de buurt komt en valt dan aan. Maar hij kan maar tien centimeter uitschieten, en vaak blijft een prooidier net te ver weg om hem te kunnen pakken.
Maar daar heeft de slang een slimmigheidje op gevonden, zagen Xavier Glaudas en Graham Alexander toen ze een grote hoeveelheid video-opnamen bekeken die ze in het veld hadden gemaakt van pofadders in hun hinderlaag. Zo’n slang kan prooien dichterbij lokken door zijn zwarte tong uit te steken, de twee punten gespreid, en heen en weer te bewegen. Die tong is dan net een kronkelende worm. Een kikker trapt daar makkelijk in, zo blijkt. Hij hopt dichterbij om het lekkers te inspecteren en zodra hij binnen bereik van de slang komt, hapt die toe. De kikker die dacht een lekker hapje te vinden, wordt zelf opgegeten.

Bootst de pofadder met zijn tong werkelijk een worm na om prooien te lokken, of lijkt het maar zo? Volgens de onderzoekers doet hij dat zeker. Want de slang laat zijn tong alleen voor worm spelen als er een kikker of pad in de buurt is. Voor prooien die geen wormpjes eten, zoals een muis, doet hij het niet. Slangen steken hun tong ook uit om geuren op te vangen, maar dat doen ze dan maar steeds gedurende een halve seconde. Komt er een kikker in de buurt, dan laten ze hun tong tien keer zo lang buiten hangen. Ook dat wijst erop dat het lokgedrag is. Behoorlijk slim voor een slang.

De pofadders zwaaien ook wel met hun staartpunt, en ook daarmee doen ze volgens Glaudas en Alexander een beestje na om prooien te lokken. Maar ze hebben geen opnamen waarmee ze dat kunnen laten zien, want de camera was op de kop van de dieren gericht.

Willy van Strien

Foto: Joachim S. Müller (via Flickr, Creative Commons CC BY-NC-SA 2.0)

Xavier Glaudas vertelt over zijn onderzoek

Bron:
Glaudas, X. & G. J. Alexander, 2017. A lure at both ends: aggressive visual mimicry signals and prey-specific luring behaviour in an ambush-foraging snake. Behavioral Ecology and Sociobiology 71:2. Doi: 10.1007/s00265-016-2244-6

Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on LinkedIn
Geplaatst in mimicry, predatie | Reacties uitgeschakeld voor Slimmigheidje

Zelfkennis

Een oud en mooi roodrugelfje gaat regelmatig de hort op

Roodrugelfje: mooi mannetje gaat de hort op

Mannetjes van het roodrugelfje weten precies waar ze goed aan doen, laten Denélle Dowling en Michael Webster zien. Een mannetje met een mooi broedkleed gaat op de versiertoer, een mannetje met een onopvallend bruin pak blijft thuis.

Zoals de meeste zangvogels vormen ook de roodrugelfjes uit Australië sociaal monogame paren. Mannetje en vrouwtje kunnen zelfs jaren bijeenblijven. Tegelijkertijd zijn ze niet eenkennig: ruwweg de helft van de jongen die uitkomen is niet van de sociale vader. Overspel is de regel.
Een mannetje kan twee dingen doen als de broedtijd is aangebroken. Hij kan er regelmatig op uit gaan om andere vrouwtjes te versieren, zodat hij extra veel jongen krijgt, naast echtelijke ook buitenechtelijke. Of hij kan thuis blijven om er daar het beste van te maken: samen met zijn partner het territorium verdedigen tegen andere stelletjes, de jongen helpen voeren – en andere mannen uit de buurt houden om te voorkomen dat zijn partner vreemd gaat en de jongen in zijn nest niet allemaal de zijne zijn.

Op veroveringspad gaan of de belangen thuis veilig stellen: wat is de beste strategie? Jenélle Dowling en Michael Webster namen aan dat het antwoord niet voor elk mannetje hetzelfde zal zijn. Het ligt er maar net aan hoe aantrekkelijk hij is voor andere vrouwtjes.

En daarin verschillen mannetjes bij roodrugelfjes sterk. Er zijn  twee typen. Het eerste type gaat de broedtijd in met een prachtig verenpak: zwart met een rode rug. De andere groep heeft een onopvallend bruin kleed, net zoals een vrouwtje. Bijna alle mannetjes die ouder zijn dan twee jaar pronken met een zwart-rood kleed; van de jongere mannetjes is ongeveer de helft zwart-rood en de rest bruin.
Bekend was al dat de voorkeur van vrouwtjes uitgaat naar zwart-rode mannetjes. En ze vallen voor oude mannen, want dat zij oud zijn geeft aan dat ze van uitstekende kwaliteit zijn.
Voor oude zwart-rode mannetjes zal het daarom lonen om de hort op te gaan, veronderstelden Dowling en Webster. Grote kans immers dat ze bij andere vrouwtjes succes zullen hebben. Maar bruine mannetjes kunnen beter bij hun partner blijven. Ze maken elders weinig kans, en het gevaar dat hun partner in hun afwezigheid vreemd gaat met een man van het aantrekkelijker type is groot. Jonge rood-zwarte mannetjes kunnen het elders proberen, al zullen ze minder makkelijk aan de bak komen dan oude mannetjes.

De biologen zetten een onderzoek op om na te gaan of mannetjes inderdaad doen wat het beste voor hen is, gezien hun uiterlijk. En dat blijkt het geval. Oude zwart-rode mannetjes gaan veelvuldig op de versiertoer, terwijl bruine mannetjes in hun eigen territorium blijven. Jonge zwart-rode mannetjes zitten er qua gedrag tussenin.

Uit dna-analyses aan mannetjes en jongen blijkt dat zwart-rode mannetjes (jong en oud) veel buitenechtelijke jongen hebben, maar wat minder echtelijke jongen dan bruine mannetjes: ze worden kennelijk meer bedrogen.
Bij dat laatste resultaat hoort wel een kanttekening. In andere studies, waaronder die van Jordan Karubian, hadden bruine mannetjes minder jongen dan zwart-rode en werden ze meer bedrogen, ook al probeerden ze hun partner in de gaten te houden. Maar voor hun strategie hoeft dat niet uit te maken. Als ze niet thuisblijven worden ze waarschijnlijk nog vaker bedrogen.

Willy van Strien

Foto: Roodrugelfje, mannetje met opvallend broedkleed. Jim Bendon (Wikimedia Commons, Creative Commons CC BY-SA 2.0)

Bronnen:
Dowling, J. & M.S. Webster, 2017. Working with what you’ve got: unattractive males show greater mateguarding effort in a duetting songbird. Biology Letters 13: 20160682. Doi: 10.1098/rsbl.2016.0682
Karubian, J., 2002. Costs and benefits of variable breeding plumage in the red-backed fairy-wren. Evolution, 56: 1673-1682. Doi: 10.1111/j.0014-3820.2002.tb01479.x

Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on LinkedIn
Geplaatst in seksueel gedrag | Reacties uitgeschakeld voor Zelfkennis

Goeie maatjes

Anemoon groeit beter met een laffe anemoonvis

verlegen anemoonvis is betere partner

Het succes van de samenwerking tussen zeeanemoon en anemoonvis hangt af van het karakter van de vis, melden Philip Schmiege en collega’s. Van een schuchtere, voorzichtige partner heeft een anemoon meer profijt dan van een brutale, ondernemende vis.

Tussen de tentakels van zeeanemonen zijn anemoonvissen veilig. De zeeanemonen, dieren die verwant zijn aan kwallen, hebben namelijk stekende netelcellen met gif waarmee ze de roofvijanden van de anemoonvissen op afstand houden. De anemoonvissen zelf zijn er ongevoelig voor. Omgekeerd verjagen de anemoonvissen gasten die aan de tentakels van de zeeanemonen willen knabbelen; met die tentakels verzamelen de zeeanemonen hun voedsel. Zeeanemonen en anemoonvissen zijn partners die elkaar beschermen.
Maar de visjes doen nog meer. Veel zeeanemonen huisvesten eencellige organismen die, net als planten, in staat zijn om zonlicht op te vangen en te gebruiken om koolstofdioxide om te zetten in koolhydraten. Daarmee voeden zij de zeeanemonen, in ruil voor onderdak. Die inwonende organismen halen hun voeding uit stoffen die de anemoonvissen uitscheiden. Bovendien verversen de vissen door hun bewegingen het water rond de zeeanemonen, zodat die steeds over zuurstof beschikken. Doordat de vissen de nuttige eencellige anemoonbewoners bemesten en het water verversen, bevorderen ze de groei van de zeeanemonen.

Nu hebben anemoonvissen, net als veel andere diersoorten, persoonlijkheden. Er zijn brutale, ondernemende types onder en verlegen, passieve individuen. Maakt het voor de zeeanemonen uit wat de aard is van de vissen die zich bij hen vestigen? Philip Schmiege en collega’s veronderstelden van wel. En ze kregen gelijk.

De onderzoekers haalden een aantal zwarte driebandanemoonvissen (Amphiprion percula) naar het lab; deze vissen leven langs kusten van Australië, Azië en Japan. En ze beschikten over gekweekte exemplaren van de tepelanemoon (Entacmaea quadricolor). Dat is geen natuurlijke partner van de vissen, maar in het lab binden die zich er makkelijk aan.
In zestig aquaria deden de onderzoekers één anemoon en een of twee vissen; in de natuur leven er nul tot zes vissen samen met een anemoon. Ze maten de anemonen op en hielden de groei bij. Ze gingen na hoe brutaal dan wel verlegen elke vis was door hem elke dag twintig minuten te filmen en op de filmbeelden te kijken of hij van de zeeanemoon vandaan durfde te zwemmen. Hoe meer tijd een vis op afstand van zijn partner doorbracht, hoe brutaler zijn karakter.

Na anderhalf jaar constateerden de biologen dat de zeeanemonen met een verlegen vis beter waren gegroeid dan anemonen met een brutale partner. Kennelijk leveren bange vissen betere diensten. Omdat ze meestal vlakbij hun partner rondhangen, bemesten ze diens eencellige inwoners beter en verversen ze het water efficiënter. En misschien durven de zeeanemonen hun tentakels langduriger uit te steken om voedsel te vangen als er een anemoonvis in de buurt is.

Het succes van samenwerkingsrelaties, waar de band tussen zeeanemonen en anemoonvissen een voorbeeld van is, wordt inderdaad mede bepaald door het karakter van de partners.

Willy van Strien

Foto: Zwarte driebandanemoonvis © Philip Schmiege

Bron:
Schmiege, P.F.P., C.C. D’Aloia, P.M. Buston, 2017. Anemonefish personalities influence the strength of mutualistic interactions with host sea anemones. Marine Biology 164: 24. Doi: 10.1007/s00227-016-3053-1

Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on LinkedIn
Geplaatst in persoonlijkheden, samenwerking | Reacties uitgeschakeld voor Goeie maatjes