Plakken en pakken

Bodemjachtspin overmeestert prooi met lijmdraden

bodemjachtspin vangt prooi met lijmdraden

Is een prooi gevaarlijk? Stribbelt hij tegen? Veel bodemjachtspinnen weten daar wel raad mee. Ze omzwachtelen de poten van hun slachtoffer met draden waar een laag taaie lijm op zit, laten Jonas Wolff en collega’s zien.

Bodemjachtspinnen vangen hun prooien niet door een web te maken, maar ze doen precies zoals hun naam zegt: ze bejagen ze op de bodem. Voor sommige van hen is dat een riskante onderneming, omdat zij op grote of gevaarlijke prooien afgaan, zoals mieren en andere spinnen. Jonas Wolff en collega’s achterhaalden hoe zij erin slagen om die prooien te overmeesteren.
Bodemjachtspinnen (Gnaphosidae) komen overal ter wereld voor. In Nederland leven ongeveer 35 soorten; zij hebben mooie namen, zoals mierendief, harige muisspin en stalmuursluiper.
Wolff filmde het gedrag van een aantal bodemjachtspinnen die een mogelijk slachtoffer in het oog krijgen en analyseerde de beelden.

Een bodemjachtspin probeert een prooi eerst met zijn voorpoten te pakken, zo bleek. Lukt dat niet omdat het slachtoffer groot of weerbarstig is, dan schakelt hij al gauw over op een andere tactiek. Hij brengt plakkerige draden aan op de bodem en rond de poten en monddelen van de tegenstander. Die raakt verstrikt en kan niet veel meer doen, al weet een gelijmde spin soms nog gemeen te bijten – de jacht blijft gevaarlijk.
Andere spinnensoorten maken niet zulke lijmdraden. Spinnenzijde wordt gemaakt in zijdeklieren, en de onderzoekers vergeleken daarom de zijdeklieren van bodemjachtspinnen met die van andere spinnen. Ze vonden duidelijke verschillen.

Er zijn verschillende typen zijdeklieren om verschillende soorten zijde te kunnen spinnen. De klieren produceren een vloeibaar mengsel van zijde-eiwitten en hebben een taps toelopende afvoerbuis die eindigt in een tuitje op een spintepel. Spinnen hebben een tot vier paar spintepels op het achterlijf; ze maken draden door het eiwitmengsel door de nauwe opening van een tuitje naar buiten te trekken.
Op het grootste paar spintepels zit bij de meeste spinnen een tuitje van een grote ampullate klier (er is geen Nederlandse naam). Die levert de sterke zijde waar webbouwende spinnen de dragende draden van hun web van maken; ook de draad waaraan spinnen zich kunnen laten vallen bestaat uit deze zijde. Daarnaast zijn er de openingen van een aantal kleine piriforme klieren. Die leveren korte, kleverige zijdevezels die spinnen omvormen tot ‘plakkertjes’ waarmee ze de draden van hun web op de kruispunten aan elkaar lijmen, of het web of de valdraad aan bijvoorbeeld een boom vastmaken.
De klieren van bodemjachtspinnen die met lijmdraden werken zijn anders. De ampullate klieren zijn bij hen in verhouding maar klein, terwijl de piriforme klieren sterk vergroot zijn en forse tuiten hebben. Deze grote piriforme klieren maken de zijde voor de draden waarmee de spinnen hun prooien immobiliseren. De draden zijn bedekt met een laag buigzame, taaie lijm, perfect om een tegenstribbelende prooi in bedwang te houden.

De bodemjachtspinnen hebben dus een nieuwe vorm en toepassing van piriforme zijde ontwikkeld en de bouw van de zijdeklieren is aangepast. Gevolg is wel dat deze spinnen geen stevige draden kunnen maken en ook geen goed functionerende plakkertjes. Net als veel andere spinnen bouwen ze een zijden nest om in te schuilen (van nog weer een ander type zijde), maar ze kunnen dat nest minder goed aan de ondergrond bevestigen. Dat is de prijs die ze betalen voor hun exclusieve jachtmethode.

Willy van Strien

Foto:
Stalmuursluiper Scotophaeus blackwalli. Richard Pigott (via Flickr; Creative Commons CC BY-SA 2.0)

Bron:
Wolff, J.O., M. Řezáč, T. Krejčí & S. Gorb, 2017. Hunting with sticky tape: functional shift in silk glands of araneophagous ground spiders (Gnaphosidae). Journal of Experimental Biology 220: 2250-2259. Doi: 10.1242/jeb.154682

Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on LinkedIn
Dit bericht is geplaatst in predatie. Bookmark de permalink.