Opvliegend

Een dappere koolmees is groot, of mager

Vooral grote en magere koolmezen hebben lef

Hoeveel risico wil een koolmees nemen? Dat verschilt nogal van vogel tot vogel. Maria Moiron en collega’s laten zien dat de lef die de vogels tentoonspreiden gekoppeld is aan hun grootte en hun conditie.

Net als mensen hebben ook dieren een persoonlijkheid, een stabiele set van bij elkaar horende gedragskenmerken. Zo verschillen dieren onderling van elkaar in hoe dapper ze zijn, met als uitersten een agressief, brutaal, nieuwsgierig en ondernemend karakter aan de ene kant en een schuwe, voorzichtige en teruggetrokken aard aan de andere kant. Biologen zien dat ook terug bij de koolmees (Parus major). Maria Moiron en collega’s vroegen zich af of de persoonlijkheid van een koolmees past bij zijn fysieke kenmerken.
Om dat te achterhalen wogen ze een aantal mannetjes en maten ze de lengte op van poot, snavel en vleugel. En ze testten de dieren op hun bereidheid om risico’s te nemen. Daarvoor keken ze hoe agressief de dieren zich opstelden tegenover een mannetje dat het territorium binnendrong. Ook gingen ze na hoe snel ze er in een onbekende testkooi op uit gingen om de boel te verkennen.

Angst of moed

Koolmezen verschillen sterk van elkaar in alle gemeten kenmerken, zo bleek. Na een statistische analyse van de gegevens concluderen de onderzoekers dat grote exemplaren gemiddeld minder angstig zijn uitgevallen dan kleinere soortgenoten. Dat kan komen, speculeren ze, doordat een fors dier een grotere kans heeft te winnen als het tot vechten komt en beter tegen een stootje kan. Een tweede mogelijkheid is dat hij meer risico neemt om aan voedsel te komen omdat hij meer energie nodig heeft.
Een andere uitkomst is dat ook de conditie van de vogels, in de zin van doorvoeding, hun gedrag bepaalt. Een dier dat wel wat eten kan gebruiken neemt over het algemeen meer risico dan een dier dat goed in zijn vet zit. Een hongerige vogel kan zich niet permitteren om al te voorzichtig te zijn; hij moet wel actie ondernemen, is de verklaring. Het kan ook zijn dat een goed doorvoede vogel voorzichtiger is omdat hij bij onraad minder snel kan opvliegen.
Conclusie: de persoonlijkheid van een koolmees hangt inderdaad samen met zijn fysieke kenmerken. Dat is eigenlijk niet vreemd – maar het was nog niet eerder aangetoond.

Willy van Strien

Foto: Tbird ulm (Wikimedia Commons, Creative Commons CC BY-SA 3.0)

Bron:
Moiron. M., Y.G. Araya-Ajoy, K.J. Mathot, A. Mouchet & N.J. Dingemanse, 2019. Functional relations between body mass and risk-taking behavior in wild great tits. Behavioral Ecology, 18 januari online. Doi: 10.1093/beheco/ary199

Goeie maatjes

Anemoon groeit beter met een laffe anemoonvis

verlegen anemoonvis is betere partner

Het succes van de samenwerking tussen zeeanemoon en anemoonvis hangt af van het karakter van de vis, melden Philip Schmiege en collega’s. Van een schuchtere, voorzichtige partner heeft een anemoon meer profijt dan van een brutale, ondernemende vis.

Tussen de tentakels van zeeanemonen zijn anemoonvissen veilig. De zeeanemonen, dieren die verwant zijn aan kwallen, hebben namelijk stekende netelcellen met gif waarmee ze de roofvijanden van de anemoonvissen op afstand houden. De anemoonvissen zelf zijn er ongevoelig voor. Omgekeerd verjagen de anemoonvissen gasten die aan de tentakels van de zeeanemonen willen knabbelen; met die tentakels verzamelen de zeeanemonen hun voedsel. Zeeanemonen en anemoonvissen zijn partners die elkaar beschermen.
Maar de visjes doen nog meer. Veel zeeanemonen huisvesten eencellige organismen die, net als planten, in staat zijn om zonlicht op te vangen en te gebruiken om koolstofdioxide om te zetten in koolhydraten. Daarmee voeden zij de zeeanemonen, in ruil voor onderdak. Die inwonende organismen halen hun voeding uit stoffen die de anemoonvissen uitscheiden. Bovendien verversen de vissen door hun bewegingen het water rond de zeeanemonen, zodat die steeds over zuurstof beschikken. Doordat de vissen de nuttige eencellige anemoonbewoners bemesten en het water verversen, bevorderen ze de groei van de zeeanemonen.

Nu hebben anemoonvissen, net als veel andere diersoorten, persoonlijkheden. Er zijn brutale, ondernemende types onder en verlegen, passieve individuen. Maakt het voor de zeeanemonen uit wat de aard is van de vissen die zich bij hen vestigen? Philip Schmiege en collega’s veronderstelden van wel. En ze kregen gelijk.

De onderzoekers haalden een aantal zwarte driebandanemoonvissen (Amphiprion percula) naar het lab; deze vissen leven langs kusten van Australië, Azië en Japan. En ze beschikten over gekweekte exemplaren van de tepelanemoon (Entacmaea quadricolor). Dat is geen natuurlijke partner van de vissen, maar in het lab binden die zich er makkelijk aan.
In zestig aquaria deden de onderzoekers één anemoon en een of twee vissen; in de natuur leven er nul tot zes vissen samen met een anemoon. Ze maten de anemonen op en hielden de groei bij. Ze gingen na hoe brutaal dan wel verlegen elke vis was door hem elke dag twintig minuten te filmen en op de filmbeelden te kijken of hij van de zeeanemoon vandaan durfde te zwemmen. Hoe meer tijd een vis op afstand van zijn partner doorbracht, hoe brutaler zijn karakter.

Na anderhalf jaar constateerden de biologen dat de zeeanemonen met een verlegen vis beter waren gegroeid dan anemonen met een brutale partner. Kennelijk leveren bange vissen betere diensten. Omdat ze meestal vlakbij hun partner rondhangen, bemesten ze diens eencellige inwoners beter en verversen ze het water efficiënter. En misschien durven de zeeanemonen hun tentakels langduriger uit te steken om voedsel te vangen als er een anemoonvis in de buurt is.

Het succes van samenwerkingsrelaties, waar de band tussen zeeanemonen en anemoonvissen een voorbeeld van is, wordt inderdaad mede bepaald door het karakter van de partners.

Willy van Strien

Foto: Zwarte driebandanemoonvis © Philip Schmiege

Bron:
Schmiege, P.F.P., C.C. D’Aloia, P.M. Buston, 2017. Anemonefish personalities influence the strength of mutualistic interactions with host sea anemones. Marine Biology 164: 24. Doi: 10.1007/s00227-016-3053-1

Veel te verliezen, daarom bang

Vruchtbaarste heremietkreeftman neemt geen risico

De ene heremietkreeft toont meer bravoure dan de andere. Onder de mannetjes zijn de meest vruchtbare individuen bepaald geen lefgozers, ontdekten Danielle Bridger en collega’s tot hun verbazing.

Heremietkreeften hebben altijd een schuilplaats bij zich. Ze meten zich namelijk lege slakkenhuizen aan waarin ze hun zachte achterlijf veilig kunnen onderbrengen en dragen die tweedehands-huisjes steeds met zich mee. Bij onraad trekken ze zich er bliksemsnel helemaal in terug en dan sluiten ze de opening af met hun vergrote schaar. Aan de Nederlandse kust zijn gewone hermietkreeften (Pagurus bernhardus) te vinden, in slakkenhuisjes van onder meer alikruiken.
Mark Briffa en collega’s hadden al ontdekt dat deze beestjes een ‘persoonlijkheid’ hebben: er zijn dappere types en bangeriken. De onderzoekers kunnen het lef van de heremietkreeften meten door ze uit het water te halen, even op hun kop te houden en dan weer terug te leggen met de opening van hun huisje naar boven. Na een aantal seconden komen de heremietkreeften weer te voorschijn. Sommige heremietkreeften kruipen bij herhaalde testen consequent sneller weer rond dan andere, en zijn dus dapperder van aard.

Nu wilden Danielle Bridger en collega’s weten of de dapperheid van mannetjes samenhangt met hun vruchtbaarheid. Hun veronderstelling was dat de mannen met het meeste sperma in voorraad het meest dapper zouden zijn. Zij hebben immers al veel geïnvesteerd in hun voortplanting en zouden er alles aan doen om zo snel mogelijk een vrouwtje te vinden waarmee ze die investering kunnen ‘verzilveren’- en bereid zijn daarvoor risico’s te nemen. Dat patroon staat  bekend als de strategie van het snelle levenstempo: een hoge voortplantingsnelheid gepaard aan ondernemend en riskant gedrag dat de levensverwachting bekort.
De vruchtbaarheid van de mannetjes is, net als hun lef, makkelijk te meten. Mannetjes verpakken hun sperma in pakketjes, de spermatoforen, en hoe groter die zijn, hoe vruchtbaarder de man. De veronderstelling was dus goed te toetsen.

En bleek verkeerd….. De mannetjes met de grootste spermatoforen waren juist het angstigst. Hoe kleiner de spermatoforen, hoe dapperder de man. Het patroon van het snelle levenstempo gaat bij deze dieren dus niet op. Een mannetje dat veel sperma heeft aangemaakt volgt een andere strategie, is de conclusie: hij neemt weinig risico om zijn grote spermavoorraad niet in gevaar te brengen. Hij heeft immers veel te verliezen. Wordt hij slachtoffer van een hongerige krab, dan is zijn investering voor niets geweest.
Een grote vruchtbaarheid gaat niet samen met bravoure, maar met voorzichtigheid. Als het goed is, kiezen heremietkreeftvrouwtjes dus voor laffe mannetjes. Een mooie hypothese voor nieuw onderzoek.

Willy van Strien

Foto: Thomas Bresson (Wikimedia Commons)

Bronnen:
Bridger, D., S.J. Bonner & M. Briffa, 2015. Individual quality and personality: bolder males are less fecund in the hermit crab Pagurus bernhardus. Proc. R. Soc. B 282: 20142492, 11 februari online. Doi: 10.1098/rspb.2014.2492
Briffa, M., S.D. Rundle & A. Fryer, 2008. Comparing the strength of behavioural plasticity and consistency across situations: animal personalities in the hermit crab Pagurus bernhardus. Proc. R. Soc. B 275: 1305-1311. Doi:10.1098/rspb.2008.0025

Ieder haar vak

Spinnen in kolonie doen werk dat past bij hun karakter

Een samenleving draait het best als ieder doet waar hij goed in is. Vrouwtjes in kolonies van de sociale spin Anelosimus studiosus hebben dat ook door. Ze doen werk dat hen ligt, laten Colin Wright en collega’s zien.

Sommige vrouwtjes van de spin Anelosimus studiosus, die voorkomt in Noord en Zuid Amerika, leven in hun eentje in hun eigen web. Maar andere vrouwtjes zoeken elkaar op om een kolonie te vormen. Samen kunnen ze een groter web bouwen en verdedigen en grotere prooien bemachtigen. Bovendien is de zorg voor de jongen in zo’n gemeenschap goed geregeld. De kleintjes krijgen de eerste weken nog te eten van hun moeder. Gaat die moeder dood, dan zijn ook haar jongen verloren. Tenzij ze in een groep leeft waar andere vrouwtjes de zorg overnemen.
Zo’n kolonie kan uit tientallen vrouwtjes bestaan. Mannetjes zijn er nooit bij.

Colin Wright wilde weten of de vrouwtjes in een kolonie alle taken op zich nemen die gedaan moeten worden. Of verdelen ze het werk? En hoe dan?
Het was al bekend dat er twee typen vrouwtjes zijn. Er zijn actieve, onverschrokken dames die prooien, vijanden en mannetjes agressief tegemoet treden. En er zijn vrouwtjes die minder heet gebakerd zijn.
Wright vroeg zich af of de persoonlijkheid bepaalt welke taken een spin in een samenleving uitvoert. Hij zette kolonies op in het lab die bestonden uit vier vrouwtjes, twee agressieve en twee timide exemplaren, en hij observeerde het gedrag van de dieren bij verschillende testen.

Het blijkt dat de karakters van de spinnen inderdaad een taakverdeling in een groep doen ontstaan. Agressieve vrouwtjes pakken voornamelijk het stoere werk aan. Ze onderhouden het web, verdedigen de kolonie tegen indringers en vangen prooien. Dat volgt direct uit hun ondernemende aard. En ze brengen het er goed vanaf: ze bouwen stevige webben, treden voortvarend op tegen indringers en weten prooien behendig te vangen. Timide vrouwtjes bakken daar allemaal weinig van.
Maar die timide vrouwtjes maken zich op hun manier ook nuttig. Zij vullen hun tijd vooral met zorg voor de nakomelingen; ze bewaken de eitjes en geven de kleine spinnetjes te eten. En in die taken overtreffen ze de agressieve vrouwtjes. Want als die zich met de jongen bemoeien, willen ze er met hun felle gedrag nog wel eens wat doden, vooral als er veel kleintjes zijn. Bij timide vrouwtjes zijn de spinnetjes veilig.

Eerder onderzoek had al laten zien dat het gemengde kolonies beter vergaat dan kolonies van alleen agressieve of alleen timide types: een menggroep is beter verdedigd, er is meer voedsel beschikbaar en de vrouwtjes leggen grotere eitjes.
Het is nu duidelijk hoe dat komt.Vrouwtjes doen in een kolonie vooral de taken waartoe ze door hun karakter geneigd zijn, en dat is precies ook het werk waarin ze uitblinken. Door die specialisatie is de groep efficiënt georganiseerd.

Willy van Strien

Foto’s:
Groot: Anelosimus studiosus. Alex Wild
Klein: gemeenschappelijk web van Anelosimus studiosus. Joe Lapp (Creative Commons)

Bronnen:
Wright, C.M., C.T. Holbrook & J.N. Pruitt, 2014. Animal personality aligns task specialization and task proficiency in a spider society. PNAS, 16 juni online. Doi: 10.1073/pnas.1400850111
Pruitt, J.N. & S.E. Riechert, 2011. How within-group behavioural variation and task efficiency enhance fitness in a social group. Proc. R. Soc. B 278: 1209-1215. Doi:10.1098/rspb.2010.1700
Pruitt, J.N., S.E. Riechert & T.C. Jones, 2008. Behavioural syndromes and their fitness consequences in a socially polymorphic spider, Anelosimus studiosus. Animal Behaviour 76: 871-879. Doi:10.1016/j.anbehav.2008.05.009

Klantvriendelijk karakter

Rustige, voorzichtige poetsvissen leveren de beste diensten

Veel poetsvissen werken netjes. Zij plukken nauwkeurig de parasieten van andere vissen af. Maar er zijn ook poetsers die vaak parasieten laten zitten en een stukje uit de huid van hun klanten bijten. Dat is een kwestie van persoonlijkheid, ontdekten Alexander Wilson en collega’s.

Muizen, vogels en vissen (en vermoedelijk ook andere dieren) verschillen in temperament. Elk dier heeft een persoonlijkheid die ergens tussen twee uitersten zit. Aan de ene kant zijn er actieve en nieuwsgierige risicozoekers, aan de andere kant passieve, voorzichtige types.
Alexander Wilson vroeg zich af of die persoonlijkheid zich weerspiegelt in de manier waarop de gewone poetslipvis, Labroides dimidiatus, met zijn klanten omspringt. De poetslipvis, die leeft op de koraalriffen van de Rode Zee, de Indische Oceaan en de Stille Oceaan, verwijdert bloedzuigende parasieten van andere vissen. Dat is winst voor beide partijen: de klanten raken hun parasieten kwijt die, de poetsvis heeft te eten. Maar poetsvissen kunnen hun klanten bedonderen door een hapje uit de beschermende slijmlaag te bijten in plaats van parasieten weg te plukken. Zo’n slijmhapje hebben ze namelijk liever, want het is voedzamer. De ene poetser misdraagt zich vaker dan de andere. Hoort dat bij zijn persoonlijkheid?

Wilson observeerde en filmde een aantal poetsvissen op het Groot Barrièrerif bij Australië. Hij hield bij hoeveel klanten elke poetser hielp en hoe lang hij zich met een klant bezighield, hij schatte hoeveel parasieten hij weghaalde en hoe vaak hij beet, wat te zien is aan de reactie van de klant.
Daarna ving hij de poetsvissen voor een persoonlijkheidstest in een aquarium op het lab. Hij bepaalde daar hoe actief ze waren, hoe snel ze op een onbekend voorwerp af durfden te gaan en hoe vaak ze zich op een veilig plekje terugtrokken.

De persoonlijkheid van poetsvissen bepaalt inderdaad hoe ze met hun klanten omspringen, is de conclusie.
Er zijn vissen die op hun vaste ‘poetsstation’ blijven, veel klanten bedienen, veel tijd aan de klanten besteden, veel parasieten weghalen en weinig bijten. Deze strategie levert een vaste bron aan voedsel op. Klantvriendelijke poetsers blijken bij de persoonlijkheidstest een rustige en voorzichtige aard te hebben.
Andere poetsvissen verlaten hun plekje vaak, helpen minder klanten, halen minder parasieten weg – en bijten de klanten nogal eens. Zij krijgen de favoriete en voedzame slijmhapjes binnen, maar hun strategie is ook riskant. Een gedupeerde klant kan de valsspeler van zijn plaats verjagen of overstappen naar een concurrerende poetsvis. Ook wachtende klanten vertrekken als ze zo’n poetser een klant zien bijten. Maar oneerlijke poetsers tonen zich bij de persoonlijkheidstest actief en onverschrokken. Ze zijn dus bereid om de risico’s te nemen en om te verkassen en elders nieuwe klanten te zoeken die ze kunnen bedriegen.

Willy van Strien

Foto: Twee gewone poetslipvissen helpen een gevlekte reuzentandbaars. Richard Ling (Wikimedia Commons)

Zie ook: Schoonmakers in het gareel

Bron:
Wilson, A.D.M., J. Krause, J.E. Herbert-Read & A.J.W. Ward, 2014. The personality behind cheating: behavioural types and the feeding ecology of cleaner fish. Ethology, 2 juni online. Doi: 10.1111/eth.12262

Rode heethoofden en zwarte lefgozers

Kopkleur vertelt hoe agressief of dapper een Gouldamadine is

gouldamadine: karakter hangt samen met kopkleur

De kleurrijke Gouldamadines uit het noorden van Australië zijn er in drie typen: er zijn vogels met een zwart, een rood en een geel kopje. Het is al bijzonder dat er drie kleurvormen naast elkaar voorkomen, maar het is nog bijzonderder dat de kopkleuren, die erfelijk zijn bepaald, gekoppeld zijn aan verschillen in karakter, zoals Leah Williams laat zien.
Zwartkoppige vogels zijn met 70 procent het meest algemeen. Dertig procent van de dieren is rood en minder dan één op duizend vogels heeft een gele kop. Williams testte rode en zwarte vogels op een aantal persoonlijkheidskenmerken en vond opvallende verschillen. De rode dieren – mannetjes zowel als vrouwtjes – bleken heetgebakerd; ze waren veel agressiever tegenover elkaar dan zwarte vogels. Die zwarte vogels op hun beurt waren nieuwsgieriger en roekelozer dan de rode. Nadat de onderzoekers een bundel draden aan een zitstok hadden gehangen, gingen de zwarten daar eerder op af. En als de onderzoekers de dieren bang maakten met een roofvogelsilhouet, durfden de zwarte vogels sneller weer te gaan eten.

Dat dieren verschillende persoonlijkheden hebben, is al langer duidelijk. Maar uniek is dat die verschillen zo duidelijk samengaan met het uiterlijk.

De verschillende strategieën – agressief of nieuwsgierig en dapper – blijven naast elkaar bestaan. Buiten het broedseizoen trekken de vogels in groepjes met elkaar op. De rode vogels zijn dan dominant en verdringen de zwarten van de beste plaatsen met voedsel; ze eten vooral graszaden. De zwarten compenseren dat door hun slag te slaan op plaatsen waar de roden zich niet zo snel wagen: nieuwe plekken en plekken waar een roofvogel in de buurt is. Wellicht kunnen ze zich die roekeloosheid veroorloven omdat ze met hun donkere kop minder opvallen – al zijn ze verder even kleurig.

In de broedtijd vormen zich monogame paren, en beide ouders zorgen voor hun jongen. Trekken tegenpolen elkaar dan aan? Nee, had eerder onderzoek laten zien. Jongen uit een gemengd huwelijk doen het slecht. De sterfte onder zonen van zo’n koppel is 40 procent hoger en de sterfte onder dochters is zelfs 80 procent hoger dan onder de nakomelingen van een ouderstel van één kleurtype. Kennelijk passen verschillende typen genetisch gezien niet goed bij elkaar. Vogels zoeken dan ook bij voorkeur een partner van hun eigen kleur. Maar ze slagen daar niet altijd in, en dertig procent van de paren in het wild is gemengd. Moeder maakt er dan het beste van door te zorgen ze meer zoons dan dochters krijgt: gemiddeld vier jongens op één meisje. Hoe ze dat klaar speelt, is nog onbekend.

De Gouldamadine, Erythrura gouldiae, is een bedreigde en beschermde vogel.

Willy van Strien

Foto: Gerhard Hofmann

Bronnen:
Williams, L.J., A.J. King & C. Mettke-Hofmann, 2012. Colourful characters: head colour reflects personality in a social bird, the Gouldian finch, Erythrura gouldiae. Animal Behaviour, 6 juni online. doi:10.1016/j.anbehav.2012.04.025
Pryke, S.R. & S.C. Griffith, 2009. Genetic incompatibility drives sex allocation and maternal investment in a polymorphic finch. Science 323: 1605-1607. DOI: 10.1126/science.1168928