Gevaarlijke klanten

Roofvis brengt poetsvis in stress

Poetsgrondel is behoedzaam tegenover roofvis

Een roofvis die zich bij een poetsstation meldt wordt extra snel geholpen, al schiet de poetsvis in de stress. De poetser doet zelfs wat onvoorzichtig, laten Marta Soares en collega’s zien.

Dieren schieten in de stress als ze een roofvijand zien. Ze kunnen dan op twee manieren reageren. Ofwel actief: vechten of vluchten. Ofwel passief: bevriezen.
Maar een poetsvis die een roofvis ziet aankomen bevindt zich in een lastige situatie. Zo’n roofvis is inderdaad gevaarlijk, maar hij komt voor een behandeling. Hoe gaat de poetser daarmee om?

Poetsvissen en hun klanten zijn een mooi voorbeeld van samenwerking. Een poetsvis ontvangt andere vissen op zijn poetsstation en plukt de parasieten van zijn bezoekers af; die parasieten zijn meestal bloedzuigende larven van zeepissebedden. Zo krijgt de poetser zijn voedsel binnen en worden de klanten verlost van parasieten: een goede deal voor beide partijen.

Meteen eropaf

Regelmatig meldt zich echter een roofvis bij het poetsstation. Dat veroorzaakt stress bij de poetser, liet Marta Soares zien.
Ze doet onderzoek aan de haaineuspoetsgrondel, Elacatinus evelynae, een visje van een paar centimeter lang dat leeft op de koraalriffen van het Caribische gebied. Het verleent zijn diensten aan allerlei grotere vissoorten; sommige klanten zijn wel een halve meter lang.

In aquaria liet Soares deze poetsertjes een roofvis zien, en ze ontdekte dat dan het gehalte aan het stresshormoon cortisol omhoog schoot. Dat gebeurde niet als de poetsgrondels een onschuldige klant te zien kregen, of een vis die niet tot hun klantenkring behoort.
Maar een poetsvisje dat door een roofvis in de stress raakt, gaat niet vechten of vluchten, en het bevriest evenmin. De stress brengt bij de poetser een heel andere reactie teweeg: hij gaat onmiddellijk op de gevaarlijke klant af om hem een grondige schoonmaakbeurt te geven.

Geen misverstand

Dat een roofvis meteen geholpen wordt, komt deels doordat andere klanten ervandoor gaan zo gauw hij zich vertoont. Maar dat is het niet alleen, want een onschuldige vis die als enige klant aanwezig is moet toch langer wachten dan een roofvis. De poetser gaat dus extra snel op een roofvis af.
Daarmee bevestigt hij waarschijnlijk zo gauw mogelijk wat de roofvis aan zijn kleurpatroon ziet: dat hij een dienstverlener is, en geen prooi. Daar mag geen misverstand over ontstaan. Bovendien: hoe eerder de roofvis behandeld is en vertrekt, hoe sneller de andere klanten weer komen.

Soms onvoorzichtig

Een haaineuspoetsgrondel springt overigens niet heel voorzichtig met een rover om. Hij besteedt weliswaar wat meer aandacht dan normaal aan de veilige plekken, zoals staart en vinnen, maar durft toch ook de bek te inspecteren. En hoewel de poetsvis het liefst parasieten eet, beduvelt hij de klant soms door een hapje van zijn schubben of slijmlaag te nemen. Dat doet hij bij een roofvis even vaak als bij een onschuldige vis.

Willy van Strien

Foto: Laszlo Ilyes (Creative Commons)

Poetsgrondel aan het werk op YouTube

Bronnen:
Soares, M.C., R. Bshary, S.C. Cardoso, I.M. Côté & R.F. Oliveira, 2012. Face your fears: cleaning gobies inspect predators despite being stressed by them. PLoS ONE 7: e39781, 27 juni online. Doi: 10.1371/journal.pone.0039781
Soares, M.C., S.C. Cardoso & I.M. Côté, 2007. Client preferences by Caribbean cleaning gobies: food, safety or something else? Behavioral Ecology and Sociobiology 61:1015–1022. Doi: 10.1007/s00265-006-0334-6

Mieren die in de pot pissen

Een unieke symbiose van een vleesetende plant en een mier

Mieren bemesten de bekerplant Nepenthes bicalcarata

Een inwonende mier zorgt voor de vertering van de beestjes die de bekerplant Nepenthes bicalcarata vangt. Het is een uniek verbond dat Vincent Bazile en collega’s beschrijven.

De bekerplant Nepenthes bicalcarata van Borneo is een vleesetende plant. Insecten zijn z’n voedsel, vooral belangrijk als stikstofbron, en de plant vangt ze in met vloeistof gevulde bekers. Maar dit is geen gewone vleesetende plant, ontdekten Vincent Bazile uit Frankrijk en zijn collega’s. Deze vleeseter heeft het vlees eten namelijk goeddeels uitbesteed aan de inwonende mier Camponotus schmitzi.

Het was al lang bekend dat plant en mier aan elkaar gebonden zijn.

Maag

De voordelen voor de mier waren duidelijk: de gezwollen, holle ranken waaraan de bekers hangen bieden hem een perfecte nestplaats, uit de bekerrand en de twee tanden die de bekers hebben vloeit suikerrijke nectar en de prooien in de beker zijn een voedzame eiwitbron.
Maar de vraag was: wat levert de mier aan de plant in ruil voor deze kost en inwoning?

Hij dient de plant tot maag, schrijven de onderzoekers. Nepenthes bicalcarata blijkt zijn prooien zelf niet goed te kunnen verteren en hij kan de voedingsstoffen dus slecht opnemen, in tegenstelling tot andere bekerplanten.
De mieren springen bij. Ze liggen onder de rand van de beker in hinderlaag. Is er een grote prooi in de vloeistof beland, dan vissen ze die eruit en eten hem op. De resten van hun maaltijd laten ze in de beker vallen en hun uitwerpselen ook. En daar kan de plant wél goed zijn stikstof uit halen.
De grote prooien die de mieren pakken zouden anders zijn ontsnapt, dus de mieren vergroten de vangst. Verder houden ze de beker schoon en jagen ze op de snuitkevertjes die de bekerknoppen opvreten. Mieren die dood gaan worden zelf plantenvoedsel.

Verbond

Dankzij de diensten van de mieren, en vooral dankzij hun hulp bij het verteren van de vangst, kan een plant waarin mieren wonen meer blad aanmaken, groter worden en meer en grotere bekers ontwikkelen waarmee hij nog meer voedsel vergaart.

Het is een uniek verbond. De mier kan niet leven zonder de plant. En de plant floreert niet zonder de mier. Je kunt je afvragen of je hem nog wel een vleeseter kunt noemen.

Willy van Strien

Foto: NepGrower (Wikimedia Commons, public domain)

Bron:
Bazile, V., J.A. Moran , G. Le Moguédec, D.J. Marshall & L. Gaume, 2012. A carnivorous plant fed by its ant symbiont: a unique multi-faceted nutritional mutualism. PLoS ONE 7(5): e36179. Doi: 10.1371/journal.pone.0036179