Evolutie en Biodiversiteit

Categorie: samenwerking (Pagina 1 van 7)

Heilzaam gezelschap

Aanwezigheid van koraaljuffers helpt bij herstel steenkoraal

Steenkoralen van het geslacht Pocillopora zijn hard, maar ook breekbaar en er moet dan ook weleens wat gerepareerd worden. Experimenten van Hayden Vega en collega’s laten zien dat de aanwezigheid van koraaljuffers, Dascyllus flavicaudus, het helingsproces versnelt.

Steenkoralen, waaruit koraalriffen zijn opgebouwd, zijn kleine gemeenschappen. Een koraal bestaat uit een kolonie van poliepen, dieren die verwant zijn aan kwallen; de poliepen zijn omgeven door een kalkskelet en vangen kleine prooien met hun tentakels. Ze huisvesten bepaalde eencellige algen die het koraal kleur geven. De algen leggen, net als planten, koolstofdioxide vast met behulp van zonlicht, maken er zuurstof en suikers van (fotosynthese) en leveren dat aan hun gastheer. In ruil daarvoor hebben ze in de poliepen een geschikte, door zon beschenen leefomgeving en krijgen ze voedingsstoffen zoals stikstof.

Maar een koraal-gemeenschap is groter. Allerlei diersoorten, waaronder vissen, garnalen en zeenaaktslakken, leven op en bij steenkoralen. Hun aanwezigheid en activiteit hebben invloed op de groei, gezondheid en gaafheid van de koralen. Dieren kunnen er bijvoorbeeld een hap van nemen of een stukje schoonmaken en er eitjes op leggen.

Vega vroeg zich af of bij steenkoraal levende diersoorten misschien ook invloed hebben op herstel als een stuk koraal beschadigd is geraakt door de activiteit van dieren, storm, boten of duikers. Koraal kan zulke schade vaak repareren. En dat is maar goed ook, want via een gat kunnen ziekteverwekkers binnenkomen of er kan een verstikkend algentapijtje op ontstaan. Maar reparatie kost energie, dus ondersteuning is welkom.

Hij verzamelde koraal van Pocillopora-soorten voor onderzoek; die soorten komen voor in de Stille Oceaan en in de Indische Oceaan. Hij verdeelde 72 stukken koraal van gelijke grootte over zes bakken en bracht op ongeveer vijftig stukken met een airbrush (verfspuit) een beschadiging aan van een paar vierkante centimeter. Daarna voegde hij aan de helft van de bakken zes koraaljuffers toe. Het ging om de soort Dascyllus flavicaudus, een van de meest bij steenkoraal voorkomende vissoorten. Hij volgde de koralen gedurende drie weken.

De visjes bleken heilzaam gezelschap te zijn. In bakken met vissen herstelden beschadigde koralen sneller. In die bakken bleef groei van ongewenste algen op beschadigde koralen achterwege en hielden die de fotosynthese op peil.

Waarschijnlijk maakt de aanwezigheid van vissen sneller herstel mogelijk doordat de vissen het water verrijken met stikstof (een voedingsstof voor de algen) via hun uitscheidingsproducten en doordat ze met hun bewegingen het water rondom het koraal voortdurend verversen. Vooral ’s nachts, als de fotosynthese stilligt en het koraal zuurstof verbruikt, is dat gunstig. Daaruit blijkt maar weer eens het belang van een goed ontwikkelde, soortenrijke leefgemeenschap.

De beschadigingen in deze experimenten zijn trouwens niet te vergelijken met de chronische schade die koralen oplopen door opwarming van de oceanen. Daarbij stoten ze hun algen af en verbleken ze. Daar helpt geen vis tegen.

Willy van Strien

Foto: koraaljuffer Dascyllus flavicaudus. Natomic (Wikimedia Commons, Creative Commons CC BY 4.0)

Bron:
Vega, H., C.W. Osenberg, A.W. Seifert, N. Munk & A.C. Stier, 2026. Coral-associated fishes accelerate coral wound healing and photosynthetic recovery. Biology Letters 22: 20260177. Doi: 10.1098/rsbl.2026.0177

Poetsmier

Rode maaimier wordt schoongemaakt door poetsmieren

Mierenwerksters zie je doorgaans druk bezig. Maar een werkster van de rode maaimier, Pogonomyrmex barbatus, blijft soms als bevroren op een plek staan, hoog op de poten, het lijf opgeheven en de kaken open. En dan gebeurt er iets vreemds, zag Mark Moffett: een of enkele mieren van een andere, veel kleinere soort (een Dorymyrmex-soort) klimmen op haar en beginnen te likken en te peuteren, zelfs tussen haar flinke, gevaarlijke kaken. Wat is hier aan de hand?

Rode maaimieren, ook wel bekend als pogo’s, leven in droge gebieden in het zuidwesten van de Verenigde Staten. Ze maken hun nest in de grond. Werksters gaan eropuit om zaden te verzamelen; ze vermalen die met hun kaken en bewaren het in ondergrondse graankamers. De zaden zijn niet alleen een voedselvoorraad, maar ook een bron van water.

Maar foeragerende werksters pauzeren soms even. Vaak gaan ze in de buurt van of zelfs pal op een nestingang staan van Dorymyrmex, die ook in de grond nestelt, en ze lijken te wachten tot er Dorymyrmex-werksters, oftewel dory’s, verschijnen. Dat duurt niet lang. Een pogo laat zich dan inspecteren, likken en pikken. Als ze het zat is, na een aantal seconden of minuten, schudt ze de dory’s heftig van zich af en gaat aan het werk.

De dory’s deden Moffett denken aan poetsvissen: kleine visjes die een ‘poetsstation’ op een koraalrif hebben. Grotere vissen komen daar langs voor een schoonmaakbeurt. Poetsvisjes halen dode huidrestjes en bloedzuigende parasieten van hen af. De poetsers hebben er een maaltje aan, de klanten raken parasieten kwijt.

Zouden dory’s poetsmieren zijn, en pogo’s hun klanten? Hebben beide partijen voordeel van hun ontmoetingen, net zoals bij poetsvissen?

Daar lijkt het sterk op. De twee mierensoorten hebben hun nesten bij elkaar in de buurt. De behandeling die de pogo’s graag ondergaan en zelfs uitlokken, doet vermoeden dat het inderdaad om schoonmaakbeurten gaat. Hoe hebben pogo’s, die elkaar ook schoonhouden, daar profijt van? Het kan zijn, schrijft Moffett, dat dory’s in kleinere hoekjes komen dan de pogo’s zelf en lastig bereikbare ziekteverwekkers kunnen lostrekken. En het is aannemelijk, maar nog niet bewezen, dat de dory’s al poetsend wat voedsel binnenkrijgen.

Van poetsvissen bestaan veel soorten, herkenbaar aan hun pincetachtige snuitje en hun streeppatroon. Ze hebben complex gedrag ontwikkeld dat belangentegenstellingen tussen dienstverlener en klant blootlegt. De gewone poetslipvis, Labroides dimidiatus, bijvoorbeeld kan stiekem valsspelen en van de beschermende slijmlaag van zijn klanten snoepen. Maar ondanks zulke spanningen is de samenwerking stabiel.

Het maakt nieuwsgierig naar de dory’s. Zijn dit inderdaad poetsmieren? Zouden er meer mierensoorten zijn die dit doen? En hoe zijn hun relaties met klanten precies?

Willy van Strien

Foto: Vijf ‘poetsmieren’ inspecteren het lichaam van een rode maaimier (Pogonomyrmex barbatus). ©Mark Moffett, Minden Pictures

Zie eerdere berichten over de complexe relaties tussen de gewone poetslipvis en zijn klanten: poetslipvis beduvelt de klant stiekem, huichelachtig, klantvriendelijk karakter, schoonmakers in het gareel.

Bron:
Moffett, M.W., 2026. The first cleaner ant? A novel partnership in the Arizona Desert. Ecology and Evolution 16: e73308. Doi: 10.1002/ece3.73308

Veilig onder de wol

Vrouwen van wants Megymenum gracilicorne kweken schimmel op een achterpoot-orgaan

Op beide achterpoten van volwassen vrouwen van de wants Megymenum gracilicorne is een opvallende witte, wollige vlek te zien. De structuur lijkt wat op een gehoororgaantje, zoals sommige insecten hebben, en de eerste gedachte was dan ook dat hij diende om geluid waar te nemen. Maar dat klopt niet, zo laten Takanori Nishino en collega’s zien. Met een veelzijdige studie zochten ze uit wat het dan wel is, en ze kwamen uit op een heel apart orgaan is dat nooit eerder werd gevonden.

Wat zit er op de vrouwelijke achterpoten en waartoe dient het?

De wants Megymenum gracilicorne leeft in Japan op wilde planten van de komkommerfamilie. Soms vormt hij een plaag voor komkommer- of pompoenteelt. De onderzoekers laten zien dat de structuur op de achterpoten van vrouwen bestaat uit een dikke, stevige huidlaag met ongeveer 2000 piepkleine gaatjes. Aan de binnenkant is de plaat bekleed met een laag kliercellen die in verbinding staan met de gaatjes en die suikerrijke stoffen uitscheiden. Vanuit de gaatjes groeien schimmels die de witte wollige vlek opleveren.

Dat betekent dat de achterpoten een voedselrijke groeiplaats voor schimmels dragen. Volwassen vrouwen kweken als het ware schimmels op hun achterpoten. Dat doen ze natuurlijk niet voor niets. Wat voor waardevols leveren de schimmels aan de wantsen?

De wantsen smeren hun eitjes, waarvan het oppervlak is bedekt met een suikerlaag, ermee in, zagen de onderzoekers. Telkens als een vrouw een ei gelegd heeft, schraapt ze met het uiteinde van haar ene achterpoot schimmeldraden van de andere poot af en smeert die uit over het eitje. Ze legt de eitjes naast elkaar, op een rij. Na een paar dagen is zo’n rijtje helemaal overgroeid met schimmel.

De schimmel blijkt de eitjes van Megymenum gracilicorne te beschermen tegen sluipwespen. Die leggen, als ze de kans krijgen, hun eitjes in de wantseneitjes; de sluipwesplarven die daaruit komen eten vervolgens de inhoud van de wantseneitjes op. Sluipwespen komen wel op met schimmel bedekte eitjes af, maar hun legboor kan niet door een dikke laag schimmel heen prikken om een eitje af te zetten. De schimmel schrikt de vijand dus niet af met zijn geur, maar vormt een fysieke barrière.

In ruil voor suikers en onderdak bij de wants leveren de schimmels beschermingsmateriaal voor de wantseneitjes: een vorm van symbiose. De witte structuur op de achterpoten van vrouwen is een tot dusver onbekend uitwendig symbiotisch orgaan, en deze samenwerking tussen wants en schimmels is nieuw voor de biologie.

Als jonge wantsen uitkomen, zijn ze met schimmels bedekt. Maar ze raken die tijdens hun ontwikkeling kwijt en een volwassen vrouw moet zelf schimmels verzamelen die ze kan huisvesten. Ze is daar niet erg kieskeurig in: de onderzoekers troffen op achterpoten van elke vrouw meerdere schimmelsoorten aan. Maar ze is wel zo voorzichtig om geen ziekteverwekkende schimmels te kiezen. Hoe ze erin slaagt om die te mijden, is nog onbekend.

Willy van Strien

Foto: Megymenum gracilicorne vrouw. De witte streep op de achterpoot is het schimmelkweek-orgaan. ©Minoru Moriyama

Bron:
Nishino, T., M. Moriyama, H. Mukai, M. Tanahashi, T. Hosokawa, H-Y. Chang, S. Tachikawa, N. Nikoh, R. Koga, C-H. Kuo & T. Fukatsu, 2025. Defensive fungal symbiosis on insect hindlegs. Science 390: 279-283. Doi: 10.1126/science.adp6699

Voedselhulp

zwarte anemoonvis in tepelanemoon

Anemoonvissen (of clownvissen) en zeeanemonen zijn partners voor het leven. De vissen beschermen de zeeanemonen tegen vraatzuchtige vijanden en parasieten, houden ze schoon, bemesten het water met hun uitwerpselen en verversen het. Nu laten Yuya Kobayashi en collega’s zien dat de zwarte anemoonvis, Amphiprion clarkii, zijn partner ook voert. De vis leeft in grote zeeanemonen op koraalriffen in onder meer het westelijk deel van de Stille Oceaan, de Indische Oceaan en de Rode Zee en heeft wederkerige relaties met verschillende soorten zeeanemonen.

In ruil voor hun diensten kunnen anemoonvissen veilig leven in een anemoon. Dat is niet vanzelfsprekend want zeeanemonen, die verwant zijn aan kwallen, hebben kransen van tentakels met netelcellen vol gif rond een mondopening. Met hun tentakels verdedigen ze zich en vangen ze prooien, die door het gif verlamd raken. Maar anemoonvissen kunnen zich ongestoord tussen de tentakels bewegen.

Dat zwarte anemoonvissen af en toe voedsel leggen op de tentakels van hun anemoon, lieten Kobayashi en collega’s zien met experimenten in de zee bij Japan. De partner van de zwarte anemoonvis is daar de tepelanemoon, Entacmaea quadricolor, die zo heet vanwege de bolvormige toppen van de tentakels. De onderzoekers boden zwarte anemoonvissen stukjes dierlijk voedsel van verschillende afmetingen aan: garnaal, inktvis, schelpdier, vis of zee-egel. Ze observeerden wat er gebeurde of maakten video-opnamen die ze naderhand analyseerden.

De vissen kunnen zelf alleen kleine stukjes, tot ongeveer een halve centimeter, naar binnen werken. Kleine stukjes garnaal, inktvis, schelpdier en vis aten ze zelf op, totdat ze genoeg hadden; kregen ze meer, dan plaatsten ze overtollige stukjes op de tentakels van de zeeanemoon. Grotere stukjes, tot 2 centimeter, gaven ze meteen aan de zeeanemoon. Kleine stukjes zee-egel negeerden ze, grote stukken pakten ze op en legden ze op de zeeanemoon; de vissen kunnen geen zee-egel eten vanwege diens harde pantser. De anemoon transporteerde het gegeven dierlijke voedsel meestal naar de mondopening en at het op.

De onderzoekers boden de anemoonvissen ook stukjes plantaardig voedsel aan: groenwier. Kleine stukjes aten ze op, grote stukjes negeerden ze. Ze gaven nooit groenwier aan de zeeanemoon. Die zou het ook niet blieven, want hij eet alleen dierlijk voedsel.

De zwarte anemoonvis voert de zeeanemoon dus alleen bij met voedsel dat geschikt voor hem is: wel grote stukken dierlijk voedsel inclusief zee-egel, geen groenwier.

Dat bijvoeren is een extra dienst, maar niet zonder eigenbelang. Zwarte anemoonvissen zijn permanente bewoners van een zeeanemoon. Ze leven in groepen van mannen en één vrouw die haar eitjes tussen de tentakels van de anemoon legt. Als zij wegvalt, wordt de grootste man een vrouw die haar plaats inneemt. Een zeeanemoon die wordt bijgevoerd groeit sneller, en biedt dus meer plaats aan vissen en eitjes.

De vraag is nog wel of dat bijvoeren in het veld veel gebeurt onder natuurlijke omstandigheden, dus zonder onderzoekers die stukjes dierlijk voedsel aanbieden. De onderzoekers hebben het waargenomen, maar niet echt vaak.

Willy van Strien

Foto: Zwarte anemoonvis in tepelanemoon. Diego Delso (Wikimedia Commons, Creative Commons CC BY-SA 4.0)

Zie voor meer over anemoonvissen: goeie maatjes en woelige nachten

Bron:
Kobayashi, Y., Y. Kondo, M. Kohda & S. Awata, 2025. Active provisioning of food to host sea anemones by anemonefish. Scientific Reports 15: 4115. Doi: 10.1038/s41598-025-85767-9

Schelp met ramen

Hartkokkel Corculum cardissa heeft veel raampjes in schelp

Schelpen moeten hard en stevig zijn om het schelpdier binnenin te beschermen. Dat is een eenvoudige functie en meestal is aan een schelp dan ook niets bijzonders te zien, afgezien van de vele vormen en kleuren die er bestaan. Maar schelpen van hartkokkels (Corculum cardissa en andere soorten) hebben iets opmerkelijks: er zit een groot aantal doorzichtige raampjes in, netjes gerangschikt. Die zijn er niet voor niets: ze laten zonlicht door voor de eencellige algen die in het schelpdier leven. Dakota McCoy en collega’s verdiepten zich in vorm en functie van de ramen.

Maar eerst de vraag: waarom wonen er algen in de schelpdieren?

Algen zijn, net als planten, in staat om met behulp van zonlicht koolstofdioxide uit de lucht vast te leggen in suikers, die de basis zijn voor energie en bouwstoffen. Dat proces is de fotosynthese. Als voedingsstoffen hebben algen en planten alleen scheikundige elementen nodig als stikstof, fosfor en kalk, die ze inbouwen in complexe koolstofverbindingen zoals eiwitten en dna, het erfelijk materiaal. Dieren zijn afhankelijk van die fotosynthese; zij moeten zich voeden om aan energie en bouwstoffen te komen. Of….

ze kunnen algen in huis nemen, zodat ze direct suikers tot hun beschikking hebben en voedsel niet nodig is.

Sommige tweekleppige schelpdieren passen dit alternatief toe als het zo uitkomt. En er zijn twee groepen alleen maar met algen kunnen leven: de gigantische tweekleppigen (Tridacninae, onder andere de doopvontschelp) en veel hartkokkels (Fraginae). Zij huisvesten eencellige algen in fijne vertakkingen van hun darmstelsel. De algen leveren suikers in ruil voor een veilige woonplaats en waarschijnlijk ook voedingsstoffen, een vorm van samenwerking die symbiose heet.

Voorwaarde voor een geslaagde samenwerking is wel dat de algen toegang hebben tot zonlicht. Daar moeten de gastheren, die half ingegraven liggen, voor zorgen. Ze leven dan ook in ondiep water, waar zonlicht tot de bodem doordringt. Daarbij houden gigantische tweekleppigen vaak hun schelpen open, zodat het dier in zonlicht baadt. Hartkokkels hebben een andere oplossing. Hun schelpen blijven dicht, maar de algen krijgen licht via minuscule raampjes in de naar de zon gerichte kant van de schelpen.

De onderzoekers wilden meer weten over de structuur van de raampjes. Ze namen die van hartkokkel Corculum cardissa onder de loep.

De schelpen van Corculum cardissa bestaan uit aragoniet, een kalkverbinding (calciumcarbonaat, CaCO3) die vlakke kristallen vormt die kriskras door elkaar liggen.

De raampjes hebben een andere microstructuur: het aragoniet heeft hier de vorm van vezels in plaats van vlakke kristallen. Elk raampje blijkt een bundel kabels te zijn die bestaan uit parallelle aragonietvezels; de bundel loopt loodrecht op het schelpoppervlak. De kabels geleiden licht, net als glasvezelkabels. Optische-vezelkabels zijn zeer zeldzaam in de natuur, en gebundeld zijn ze nooit eerder gevonden.

Experimenten laten zien dat de naar de zon gerichte schelpdelen – waar dus raampjes in zitten – kleuren uit het zonlicht doorlaten die van belang zijn voor fotosynthese; daar komt gemiddeld 31 procent van door. Van ultraviolet licht, dat schadelijk is voor schelpdierweefsel en algen, passeert maar 14 procent. De naar het zand gerichte schelpdelen laten nauwelijks licht door.

Sommige individuen hebben onder elk raampje een microlensje, ook van aragoniet, dat het invallende licht condenseert en in het weefsel focust, daar waar de algen zitten. Dat maakt het helemaal af.

Je zou het niet verzinnen: schelpen met ramen. Maar het bestaat.

Willy van Strien

Foto: De zongerichte zijde van hartkokkel Corculum cardissa. Ria Tan, Wildsingapore, via Flickr. Creative Commons: CC BY-NC-ND 2.0

Zie ook:
Een andere manier om fotosynthese in huis te halen: Elysia-soorten (zeenaaktslakken) nemen bladgroenkorrels van algen op; vraag is wel of de dieren echt op zonne-energie leven
Keverslakken hebben honderden oogjes op hun rugschild, compleet met een lens van aragoniet, oogkamer en netvlies

Bronnen:
McCoy, D.E., D.H. Burns, E. Klopfer, L.K. Herndon, B. Ogunlade, J.A. Dionne & S. Johnsen, 2024. Heart cockle shells transmit sunlight to photosymbiotic algae using bundled fiber optic cables and condensing lenses. Nature Communications 15: 9445. Doi: 10.1038/s41467-024-53110-x
Kirkendale, L. & G. Paulay, 2024. Photosymbiosis in Bivalvia. Treatise Online no. 89: Part N, Revised, Volume 1, Chapter 9. Doi: 10.17161/to.v0i0.6568

Samenwerking in plaats van bedrog

Stinkende Gastrodia-orchidee biedt voedsel voor vliegenlarven

Gastrodia foetida levert zijn bestuivers een wederdienst

Gastrodia foetida lokt voor de bestuiving vliegenvrouwtjes die normaliter op paddenstoelen afkomen om daar hun eitjes te leggen. De orchidee lijkt een bedrieger, maar is dat toch niet, ontdekte Kenji Suetsugu.

Veel orchideeën zijn bedriegers. Waar de meeste planten samenwerken met insecten en hen nectar aanbieden als beloning voor de bestuiving, laten zulke orchideeën de bloemen bestuiven zonder daar een beloning tegenover te stellen. Ze lokken hun bestuivers met valse voorwendsels. Zo doen sommige orchideeën zich voor als vrouwtjesinsecten om mannetjes te misbruiken die willen paren en bij hun vergeefse pogingen stuifmeel van de ene bloem oppikken en op een volgende achterlaten.

Een ander soort bedrog plegen orchideeën van het geslacht Gastrodia. Zij lokken vliegenvrouwtjes die eitjes willen leggen door de geur na te bootsen van materiaal waarin vliegenlarven opgroeien, zoals gistende vruchten of halfvergane paddenstoelen. Maar de belofte is vals, blijkt als de vrouwtjes op deze bloemen afkomen. Als ze er eitjes op leggen, wat ze zelden doen, gaan de larven die eruit komen dood van honger.

Een uitzondering is Gastrodia foetida, ontdekte Kenji Suetsugu.

In de val

Gastrodia foetida is een zeldzame plant uit de bossen van Japan en Taiwan. Net als bij andere Gastrodia-soorten hebben de planten geen gewone bladeren en de sappige bloem stelt in onze ogen niet veel voor: hij is onopvallend en bruin. Maar voor vrouwtjes van sommige vliegensoorten is de bloem zeer aantrekkelijk vanwege zijn muffe geur; foetida betekent stinkend. Een veel geziene bezoeker is Drosophila bizonata, een soort waarvan de larven zich in rottende paddenstoelen ontwikkelen.

Drosophila bizonata vrouwtje met stuifmeel

Als een vliegenvrouwtje de bloem ingaat, buigt de holle lip in de bloem omhoog naar het zuiltje dat de stamper en meeldraden draagt. Het vrouwtje zit vast in de buis die daardoor tussen zuiltje en lip ontstaat. Om uit die val te ontsnappen moet ze door een nauwe opening langs de meeldraden kruipen, en dan plakt het stuifmeel, dat in twee klompjes is samengepakt, op haar rug (tenzij er al een andere vlieg geweest was, want dan zijn de klompjes weg). Als ze daarna een andere bloem bezoekt en weer opgesloten raakt, komen die stuifmeelklompjes op de stamper terecht en zal die bloem veel zaadjes maken. Dat gaat bij de andere Gastrodia-soorten net zo.

Bloemen vergaan

Maar in tegenstelling tot die andere soorten, is de stinkende orchidee wel degelijk een geschikte plek om eitjes te leggen. Suetsugu vond vaak eitjes op bloemen van Gastrodia foetida waar een vliegenvrouwtje was geweest. En het bijzondere was, dat die eitjes uitkomen en dat de larven niet doodgaan, maar goed groeien. Drie of vier dagen na bestuiving vallen de bloemen af en blijft alleen het vruchtbeginsel op de plant achter. Terwijl de bloemen op de bodem vergaan, eten de larven ervan tot ze volgroeid zijn en verpoppen. Twee weken na bestuiving komen ze als volwassen vliegen tevoorschijn.

Hoewel de larven van Drosophila bizonata paddenstoel-eters zijn, voorzien deze bloemen kennelijk in hun behoefte.

Wederzijdse dienstverlening

Waarom de paddenstoel-etende vliegenlarven het ook op deze bloemen goed doen, is niet duidelijk. Het kan te maken met het feit dat de orchidee zijn suikers niet zelf kan maken door middel van fotosynthese, zoals normale planten, want hij heeft niet de groene bladeren die daarvoor nodig zijn. In plaats daarvan steelt hij suikers van schimmels. Misschien, suggereert Suetsugu, heeft het plantenweefsel daardoor chemische overeenkomsten met dat van paddenstoelen.

Hoe het ook zij, Gastrodia foetida lijkt van bedrog weer te zijn teruggegaan naar samenwerking met bestuivers, maar met een andere beloning dan nectar. Vliegjes bestuiven de bloemen en het sappige bloemweefsel in ontbinding doet daarna dienst als voedsel voor hun larven. Het is de eerste keer dat deze vorm van beloning is aangetoond.

De samenwerking is voor de plant onmisbaar, maar voor de vlieg niet; die kan zijn eitjes ook gewoon op paddenstoelen leggen.

Willy van Strien

Foto’s: ©Kenji Suetsugu
Eerste: Gastrodia foetida
Tweede: Drosophila bizonata zit met stuifmeel op de rug in de bloem; de val (boven het zuiltje, onder de bloemlip) staat open

Zie ook:
Vogelorchideeën doen zich voor als vrouwtjeswesp
Gastrodia pubilabiata ruikt als een opgroeiplaats voor vliegenlarven, maar is het niet

Bron:
Suetsugu, K., 2023. A novel nursery pollination system between a mycoheterotrophic orchid and mushroom-feeding flies. Ecology, 23 augustus online. Doi: 10.1002/ecy.4152

Poetslipvis beduvelt de klant stiekem

Vrouw beseft wanneer partner haar gedrag ziet

in een paartje gewone poetslipvis kan een conflict ontstaan

Een vrouwtje gewone poetslipvis jaagt een klant soms weg door een hap uit zijn slijmlaag te bijten. Maar als ze weet dat haar partner kan zien wat ze doet, gedraagt ze zich iets beter, melden Katherine McAuliffe en collega’s.

Gewone poetslipvissen (Labroides dimidiatus) werken vaak in paren. Dan inspecteren man en vrouw gezamenlijk hun klanten, vissen die een schoonmaakbeurt willen. Met hun spitse snuitje pikken de poetsers uitwendige parasieten en dode huidcellen weg. Het is een schoolvoorbeeld van samenwerking tussen soorten, oftewel mutualisme: klanten raken van hun parasieten af, poetsers hebben er een maaltje aan.

Bij poetslipvissen die als stel opereren ontstaat soms een conflict doordat de vrouw een klant bijt; die klant vertrekt dan, waardoor de man zijn maaltje misloopt. Een vrouwtjespoetser misdraagt zich meer als ze weet dat haar partner niet kan zien wat ze uitspookt, ontdekten Katherine McAuliffe en collega’s.

Straf

Als een vrouwtje poetslipvis bijt, heeft ze daar een goede reden voor. Ze neemt dan een hap uit de beschermende slijmlaag van een klant. Dat is vooral in de broedtijd verleidelijk omdat ze veel energie nodig heeft en vissenslijm voedzamer is dan de parasieten die ze behoort te eten. Maar een gebeten klant maakt dat hij wegkomt, en het mannetje, dat wel netjes werkt, is de dupe: omdat zij vals speelt, raakt ook hij de klant kwijt – maar dan zonder een fijn hapje slijm op te hebben zoals zij.

Daarbij komt nog een risico dat hij zijn territorium, waarbinnen meerdere vrouwtjes leven, verliest. Want poetslipvissen wisselen tijdens hun leven van geslacht. Jonge vissen zijn altijd vrouwtjes die, als ze een zekere grootte hebben bereikt, mannetjes worden. Een vrouw die voedzaam slijm eet, groeit goed. Als ze bijna even groot is als haar partner, kan het elk moment gebeuren dat ze man wordt en hem uitdaagt; misschien slaagt ze erin hem te verjagen en zijn territorium over te nemen.

Logisch dus dat een man het niet pikt als zijn partner een klant bijt. Doet ze dat, dan straft hij haar door haar weg te jagen of te bijten. Uit eerder onderzoek was bekend dat hij strenger straft naarmate het om een grotere klant gaat, waar meer te halen valt. De straf is ook zwaarder als zijn partner ongeveer even groot is als hijzelf, dus als het risico op machtsovername reëel is.

Na een straf bindt de vrouw in en werken de partners weer goed samen.

Modelklanten

McAuliffe wist al dat poetsers hun klanten beter behandelen als andere vissen, potentiële klanten, toekijken. Want toeschouwers vertrekken als ze zien dat klanten gebeten worden. Nu wilde ze weten of een gewone poetslipvis-vrouw een klant ook minder snel beduvelt als ze weet dat haar partner haar kan zien.

De poetsvissen leven op koraalriffen, waar ze, alleen of als stel, een ‘poetsstation’ bemannen. Het is lastig om daar waar te nemen wat er precies gebeurt tussen poetsers en hun klanten. Daarom deden de onderzoekers experimenten in het lab. Ze brachten daar poetsvispaartjes in contact met kunstmatige klanten: plaatjes van plexiglas met hoopjes voedsel erop geplakt. Een prutje van garnaal, dat poetsvissen lekker vinden, stond model voor het slijm van een klant; een mengsel van visvlokken en garnaal, dat de poetsers minder waarderen, stelde parasieten voor.

De poetsvissen leerden eerst om met deze modelklanten om te gaan. Aten ze, tegen hun voorkeur in, visvlokmengsel, dan telde dat als goede schoonmaakservice. Maar namen ze een hapje garnalenprut, dan gold dat als vals spelen en trokken de onderzoekers de modelklant weg.

De onderzoekers gingen na die training eerst na hoe vrouwtjes zich gedragen als hun partner van hen was gescheiden door ofwel een doorzichtige afscheiding, ofwel een ondoorzichtige. Zo gauw een vrouw een hapje garnalenprut had genomen, werd de modelklant verwijderd en haar partner toegelaten.

Slechte dienst

Als hun partner zichtbaar was, en hij hun dus ook kon zien, aten gewone poetslipvis-vrouwen gemiddeld wat meer happen visvlokmengsel voordat ze een hap garnalenprut namen en de modelklant verdween. Dan leverden de vrouwen dus een betere dienst. Waren de partners onzichtbaar voor elkaar, dan aten vrouwen minder visvlokmengsel. Met andere woorden: in het geniep speelden ze eerder vals.

Mannen, die hun vrouw konden straffen nadat ze van de garnalenprut gegeten had, straften minder streng naarmate zij eerst meer visvlokmengsel geconsumeerd had. Vreemd genoeg maakte het voor de strafmaat na vals spel niet uit of mannen het gedrag van hun partner daadwerkelijk hadden gezien of niet. Kennelijk merkten ze op een of andere manier toch wel aan hun partner hoe ernstig ze vals had gespeeld.

Twee keer kiezen

Het lijkt er dus op dat vrouwen beseffen dat hun partner wel of niet kan zien wat ze doen, en dat ze zich eerder misdragen tegenover een klant als de partner niet kan toekijken.

Een volgende, wat ingewikkelder proef bevestigde dat. In deze opstelling zat de man weer achter een doorzichtige of ondoorzichtige afscheiding, maar nu waren er twee modelklanten achter extra afscheidingen. Een van de klanten was voor de man zichtbaar achter een transparante afscheiding – als die man tenminste zelf achter een doorzichtige afscheiding zat; de andere was voor hem verborgen achter een ondoorzichtig scherm. De vrouw kon kiezen welke modelklant ze behandelde. Ze mocht twee keer kiezen; tussendoor werd de man toegelaten, die haar al dan niet strafte.

De eerste keer kozen vrouwen vaker voor de modelklant achter de ondoorzichtige afscheiding als hun partner kon toekijken dan wanneer hij dat niet kon. Maar de tweede keer gingen ze onder zijn toezicht juist vaker naar de modelklant achter de doorzichtige afscheiding. Dat was waarschijnlijk omdat mannen hun partner na de eerste keer vaker straften als ze de verborgen modelklant had bezocht. Maar, in overeenstemming met het vorige experiment: mannen straften onafhankelijk van of ze hadden kunnen zien dat zij daarheen was gegaan. Kennelijk verraadde ze zich op de een of andere manier.

Knappe soort

De hoofdconclusie van de onderzoekers: een gewone poetslipvis-vrouw speelt eerder vals tegenover een klant als ze weet dat haar partner, die slecht gedrag afstraft, niet kan zien wat ze doet. In de eerste proef namen vrouwtjes sneller een hap garnalenprak, die stond voor de beschermende slijmlaag van een klant. In de tweede proef bezochten ze in eerste instantie liever een voor de partner verborgen modelklant dan een zichtbare.

Dat zij beseft wat hij kan zien, geeft blijk van indrukwekkende verstandelijke vermogens. Dat deze poetsvissoort daarover beschikt, bleek al eerder: de visjes herkennen zichzelf in een spiegel.

Maar de vraag is wel waarom het een vrouw iets kan schelen of haar partner haar slechte gedrag daadwerkelijk kan zien of niet, want dat maakte voor de straf niet uit.

Het verhaal is dus nog niet af. Maar er komt vast een vervolg, want de onderzoeksgroep doet al jarenlang grondig onderzoek aan deze poetsvissen.

Willy van Strien

Foto: Gewone poetslipvis aan het werk bij een koran keizersvis (Pomcanthus semicirculatus). Longdongdiver (Vincent C. Chen) (Wikimedia Commons, Creative Commons CC BY-SA 4.0)

Meer over de gewone poetslipvis: huichelachtig, klantvriendelijk karakter, schoonmakers in het gareel.

Bronnen:
McAuliffe, K., L.A. Drayton, A. Royka, M. Aellen, L.R. Santos & R. Bshary, 2021. Cleaner fish are sensitive to what their partners can and cannot see. Communications Biology 4: 1127. Doi: 10.1038/s42003-021-02584-2
Kohda, M., T. Hotta, T. Takeyama, S. Awata, H. Tanaka, J-y. Asai & A.L. Jordan, 2019. If a fish can pass the mark test, what are the implications for consciousness and selfawareness testing in animals? PLoS Biol 17: e3000021. Doi: 10.1371/journal.pbio.3000021
Raihani, N.J., A.I. Pinto, A.S. Grutter, S. Wismer & R. Bshary, 2012. Male cleaner wrasses adjust punishment of female partners according to the stakes. Proceedings of the Royal Society B 279: 365-370. Doi: 10.1098/rspb.2011.0690

Honingdauw met dopamine

Japanse bijvoetluis dwingt extra bescherming af van mieren

Japanse bijvoetluis manipuleert de mier die hem beschermt

Een kolonie van de Japanse bijvoetluis maakt mieren agressiever, laten Tatsumi Kudo en collega’s zien. Daardoor krijgen vijanden nog minder kans om de luizen te eten.

De samenwerking tussen bladluizen en mieren is een van de best bekende voorbeelden van samenwerking of mutualisme. Bladluizen, die leven van het sap van planten, scheiden overtollige suikers uit in een plakkerig goedje, de honingdauw. Voor mieren is dat een mooie voedselbron. Ze verzamelen de honingdauw, oftewel: ze melken de luizen. Om de oogst veilig te stellen beschermen ze de luizen tegen vraatzuchtige vijanden alsof het hun vee is. De partijen ruilen dus voedsel uit tegen bescherming, en beide partijen profiteren van deze samenwerking.

Zo’n samenwerking bestaat ook tussen de Japanse bijvoetluis (Macrosiphoniella yomogicola), die op bijvoet (Artemisia montana) leeft, en verschillende soorten mieren, waarvan Lasius japonicus de belangrijkste is. Deze bladluis maakt de mieren die hem beschermen extra agressief tegen roofvijanden door dopamine in de honingdauw af te scheiden, ontdekten Tatsumi Kudo en collega’s. Met andere woorden: de luizen manipuleren het gedrag van de mieren.

Dopamine

Eerder al had de Japanse onderzoeksgroep al laten zien dat de mier de luizen manipuleert. Van de Japanse bijvoetluis komen twee kleurvormen voor en de mieren begunstigen de vorm die zich het langzaamst vermenigvuldigt maar de beste honingdauw produceert. Nu schrijft het team dat de Japanse bijvoetluis zich op zijn beurt niet als gedwee melkvee gedraagt.

In de honingdauw van de luizen troffen de onderzoekers namelijk dopamine aan, een stof die inwerkt op het zenuwstelsel. De krop van mieren die de honingdauw hadden geoogst bevatte ook dopamine.

En dat had invloed op het gedrag van de mieren. De onderzoekers deden proeven om te zien hoe agressief de mieren waren tegen het Aziatisch lieveheersbeestje (Harmonia axyridis), een belangrijke roofvijand van de luizen. Mieren die net een bladluiskolonie hadden bezocht waren agressiever dan mieren die dat niet hadden gedaan. Dat ligt aan de dopamine, bleek uit andere experimenten: toediening van dopamine maakte de mieren agressiever dan normaal, terwijl kunstmatige honingdauw zonder dopamine dat niet deed.

Extra voordeel

Zo halen zowel de Japanse bijvoetluis als de mier Lasius japonicus die hem beschermt extra voordeel uit de samenwerkingsrelatie. De bladluis dwingt de mier om een betere bescherming te geven, de mier manipuleert de luizenkolonie zo dat er extra veel voedsel van hoge kwaliteit beschikbaar is.

Vooral voor de bladluis is de relatie met mieren belangrijk. Zonder zijn mieren-lijfwachten zou een kolonie het niet redden.

Willy van Strien

Foto: Japanse bijvoetluis. ©Ryota Kawauchiya

Op YouTube: lieverheersbeestjeslarve die luizen eet wordt door mier gebeten

Zie ook hoe de mier de luizenkolonie manipuleert

Bron:
Kudo, T., H. Aonuma & E. Hasegawa, 2021. A symbiotic aphid selfishly manipulates attending ants via dopamine in honeydew. Scientific Reports 11: 18569. Doi: 10.1038/s41598-021-97666-w

Hangende tuinen

Mieren kweken planten in boomnesten

Camponotus femoratus en Crematogaster levior zijn goede tuiniers

Sommige mieren hebben mierentuinen. In hun nesten in bomen groeien een of enkele plantensoorten. De mieren zijn goede tuiniers, laat een Braziliaans onderzoeksteam zien: ze kiezen de planten met zorg en beschermen ze.

In de bossen van het Amazonegebied zijn hanging baskets te vinden, bollen waar planten uit groeien. Het zijn de begroeide nesten van mieren die in bomen leven. Deze mierentuinen bieden beide partijen voordeel. De planten zijn soorten die niet in de bodem wortelen, maar op boomstammen groeien (of dus in een boommierennest), zogenoemde epifyten. Ze profiteren doordat de mieren de zaden verspreiden en de ontkiemde planten bemesten. De mieren profiteren doordat de plantenwortels het nest verstevigen en waterdicht maken.

De meeste hangende tuinen in het Amazonegebied zijn van twee soorten mieren die samenleven: Camponotus femoratus en Crematogaster levior. Ze hebben gezamenlijke nesten en foerageerpaden, maar houden hun broed gescheiden. Een Braziliaanse onderzoeksgroep beschrijft hoe netjes dit mierenduo hun tuinen verzorgt.

Taakverdeling

De twee soorten hebben de taken verdeeld. Crematogaster levior gaat eropuit om voedsel te halen. De onderzoekers denken dat hij ook degene is die, binnen een kolonie, het initiatief neemt om er een nieuw nest bij te maken; een kolonie omvat gemiddeld 17 nesten. Werksters van Crematogaster levior zijn in de meerderheid, vooral in jonge nesten; in beginnende nesten zijn ze zelfs de enige.

Maar Camponotus femoratus is de sterkste en meest agressieve van de twee. Hij bouwt en verdedigt de nesten.

Hij is ook degene die zaden van de gewenste planten verzamelt en in de kartonachtige wand van het nest stopt. Daar is hij kieskeurig in: van de vele soorten epifyten die in Zuid-Amerika groeien gebruiken de mieren er maar een handvol. Per nest kweken ze slechts een of twee soorten.

De meest voorkomende tuinplant is Peperomia macrostachya. Waarschijnlijk zijn de mieren daar gek op omdat hij, naast nectarklieren, bloemen en vruchten ook olieklieren heeft. Olie is een moeilijk te vinden onderdeel van het dieet, dus die klieren zijn waardevol. Andere toegepaste planten zijn onder meer Philodendron-soorten.

Onderhoud van mierentuinen

De mieren verzorgen de planten goed. Als een blad beschadigd is, bleek uit proeven, gaan werksters van Camponotus femoratus eropaf; ze reageren op vluchtige stoffen die bij beschadiging ontsnappen. Zo komen ze bij plekken waar plantenetende insecten aan het knagen zijn en kunnen ze die verjagen. Vooral beschadiging van de kostbare Peperomia macrostachya lokt een snelle toevloed van veel werksters uit.

Bovendien wieden de mieren ‘onkruid’. De wanden van een mierennest zijn voor veel epifyten een aantrekkelijke groeiplaats omdat ze vol voedingsstoffen zitten. Maar de mieren gaan de groei van niet-gewenste planten, die zouden concurreren met de tuinplanten, tegen. Plakken er verkeerde zaden aan de wand, dan halen ze die weg, en als er vreemde planten ontkiemen knippen ze de stengel of bladeren daarvan door.

Geen wonder dat de tuinplanten floreren en de hangende tuinen er goed uitzien.

Willy van Strien

Foto: Tuin met Philodendron van het mierenduo Camponotus femoratus en Crematogaster levior. ©Ricardo Eduardo Vicente

Meer tuinierende mieren: groene pootjes

Bronnen:
Pereira, A.A., I.V. da Silva & R.E. Vicente, 2021. Interaction between epiphytic chemical allelopathy and ant‑pruning determining the composition of Amazonian ant‑garden epiphytes. Arthropod-Plant Interactions, 9 april online. Doi: 10.1007/s11829-021-09825-5
Dacquin, P., F. Degueldre & R.E. Vicente, 2021. Relative colony size of parabiotic species demonstrates inversion with growth. Insectes Sociaux, 2 januari online. Doi: 10.1007/s00040-020-00798-x
Vicente, R.E., W. Dáttilo & T.J. Izzo, 2014. Differential recruitment of Camponotus femoratus (Fabricius) ants in response to ant garden herbivory. Neotropical Entomology 43: 519-525. Doi: 10.1007/s13744-014-0245-6

Garnalenhouders

Koraaljuffers laten hun algentuin bemesten

Koraaljuffer Stegastes diencaeus kweekt algen met behulp van aasgarnaaltjes

Elke indringer wordt verjaagd uit de algentuin van koraaljuffer Stegastes diencaeus, maar een zwerm aasgarnaaltjes mag blijven en krijgt zelfs bescherming. Dat is niet voor niets, schrijven Rohan Brooker en collega’s.

De koraaljuffer Stegastes diencaeus (in het Engels: langvinkoraaljuffer) is een agressieve, territoriale vis die leeft op koraalriffen. Hij kweekt zijn eigen voedsel door een tuin van een paar vierkante meter te creëren waar eetbare algen groeien. Hij koestert zijn algen en verdedigt zijn territorium fel; alle dieren houdt hij uit de buurt.

Of eigenlijk: bijna alle dieren. Want Rohan Brooker en collega’s laten zien dat er overdag in veel algentuinen een zwerm piepkleine aasgarnaaltjes (Mysidium integrum) te vinden is. Een tuinier tolereert de aanwezigheid van de garnaaltjes niet alleen, maar beschermt ze ook tegen hun roofvijanden, hoewel hem dat wat extra moeite kost. Kennelijk zijn de diertjes die moeite waard.

Florerende tuin

Waarom is een tuinierende langvinkoraaljuffer aan de aasgarnaaltjes gehecht, vroeg Brooker zich af. Hoewel de vis zijn algendieet aanvult met wat kleine diertjes, eet hij deze garnaaltjes niet. Misschien, veronderstelde Brooker, bemesten de garnalen de algen met hun uitwerpselen.

En dat bleek het te zijn. Een tuin waar zich een zwerm garnaaltjes ophoudt doet het beter dan een tuin zonder zo’n zwerm, dankzij de voedingsstoffen die de garnaaltjes toevoegen. Er groeien meer grote bruine algen en die vormen een structuur waarop matvormende algen, die de koraaljuffers het liefst eten, goed gedijen. Dat vertaalt zich in een betere conditie van de vissen: koraaljuffers met een garnalenzwerm in hun tuin hebben een grotere energiereserve dan collega’s met een niet-bemeste tuin.

Brooker deed zijn onderzoek op koraalriffen voor de kust van Belize, in Midden-Amerika.

Gedomesticeerd

De tuinierende vis profiteert dus vanwege zijn florerende gewas, en de aasgarnaal vanwege zijn bewaakte leefgebied. Buiten tuinen komen zwermen van deze garnalen overdag niet voor. De garnaaltjes verlaten de tuin ’s nachts, als het veilig is, om aan het oppervlak voedsel uit het water te filteren. Daarna keren ze naar hun vaste tuin terug.

De trouw aan de woonplaats is zo sterk dat jonge garnaaltjes in de tuin van hun ouders blijven leven. De schrijvers  beschouwen de relatie tussen koraaljuffer en aasgarnaal daarom als een vroege fase van domesticatie. De vissen ‘houden’ de aasgarnalen als vee.

Willy van Strien

Foto: Koraaljuffer Stegastes diencaeus. Mark Rosenstein (Wikimedia Commons, Creative Commons CC BY-SA 4.0)

Uitleg (in het Engels) over het onderzoek op YouTube

Een ander voorbeeld van domesticatie: de gele weidemier

Bron:
Brooker, R.M., J.M. Casey, Z-L. Cowan, T.L. Sih, D.L. Dixson, A. Manica & W.E. Feeney, 2020. Domestication via the commensal pathway in a fish-invertebrate mutualism. Nature Communications 11: 6253. Doi: 10.1038/s41467-020-19958-5

« Oudere berichten

© 2026 Het was zo eenvoudig begonnen

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑