Pleegkinderen geen bezwaar

Tinamoe-vaders verzorgen ook andermans jongen

mannetje tinamoe voedt ook pleegkinderen op

De zorg voor jongen is een exclusieve mannentaak bij de grote tinamoe, een vogel uit de regenwouden van Midden en Zuid Amerika; hij is iets kleiner dan een wilde eend. De vrouwen gaan van man naar man en laten hun eieren bij hen achter. Een mannetje heeft een simpel nest op de grond tussen plankwortels van bomen. Hij broedt maximaal acht eieren uit en brengt de jongen groot.
Maar of dat allemaal zijn eigen jongen zijn? Daar is hij niet zeker van, want de vrouwen paren met meerdere mannen in dezelfde periode. In ruim de helft van de nesten liggen een of meer eieren die niet van de nestbezitter zelf zijn, schrijft Patricia Brennan. Ongeveer een kwart van de jongen groeit op bij een andere man dan de biologische vader. Brennan ploos de familierelaties van de tinamoes uit door het DNA te analyseren.

Vanuit evolutionair oogpunt lijkt dat een vreemde zaak. Door natuurlijke selectie komt immers het gedrag bovendrijven dat een zo groot mogelijk voortplantingssucces oplevert. Het grootbrengen van andermans jongen hoort daar niet bij. Zijn de tinamoe-vaders de gekke Henkies onder de vogels?
Toch niet, legt Brennan uit. Eén vrouw legt hooguit drie eieren in een nest. Door haar eerst een poos aan het lijntje te houden en inmiddels veelvuldig met haar te paren, kan een man de kans vergroten dat zijn sperma haar eieren bevrucht, en niet het sperma van een andere man. In nesten met drie eieren zijn die bijna allemaal (gemiddeld 2,4 stuks) bevrucht door de verzorgende vader.
Maar hij kan meer dan drie eieren tegelijk bebroeden en zal dus proberen om nog een paar vrouwen naar zijn nest te krijgen. Daar is een beetje haast bij, want als hij het eerste ei lang laat liggen gaat de kwaliteit ervan achteruit. En als hij eenmaal zit te broeden, laat hij geen nieuwe eieren meer toe. Hij moet de extra vrouwen dus meteen laten leggen, met als gevolg dat hij zich niet kan verzekeren van het vaderschap. In een nest met meer dan drie eieren is de kans op vreemde eieren dan ook veel groter. Maar belangrijker is: van sommige extra eieren is hij wel degelijk de vader. In grotere nesten (vier tot acht eieren) heeft de verzorgende vader gemiddeld 3,7 jongen, zeg maar één meer dan in een nest van drie eieren.
Voor dat extra eigen jong neemt hij de pleegkinderen op de koop toe.
Hij heeft daar overigens nauwelijks extra werk aan. Als de jongen uitkomen, zoeken ze meteen zelf hun voedsel. Hij kan alle kleintjes makkelijk in het oog houden. Een groot kindertal is zelfs een voordeel als het nest wordt ontdekt door een slang. In een nest met drie eieren gaat dan alles verloren; zijn er meer eieren, dan blijft meestal een deel gespaard.

En de medaille heeft natuurlijk ook een keerzijde. Door het losse gedrag van vrouwen zitten veel mannen opgescheept met de jongen van een ander, maar hebben ze zelf ook jongen die door een andere man worden grootgebracht. Daarmee is hun risico gespreid: als hun nest verloren gaat, hebben ze wellicht elders jongen die overleven.

Willy van Strien

Foto: Nick Athanas

Bron:
Brennan, P.L.R., 2012. Mixed paternity despite high male parental care in great tinamous and other Palaeognathes. Animal Behaviour, 20 juli online. Doi 10.1016/j.anbehav.2012.06.026

Dapper gewapper

Eekhoorns imponeren slangen met zwaaiende staarten

Californische grondeekhoorn verjaagt slang

Ratelslangen eten graag Californische grondeekhoorns, en dan met name de jongen. Maar de volwassen eekhoorns verdedigen hun jongen dapper door de vijand brutaal tegemoet te treden. Als ze een slang ontdekken gaan ze er meteen op af; ze steken hun dikke, harige pluimstaart op en zwaaien hem heen en weer. Dat maakt zoveel indruk op de slang dat hij niet aanvalt en vaak zelfs stilletjes de aftocht blaast, liet Matthew Barbour zien. Je vraagt je af wie er nu eigenlijk de baas is: de ratelslang of de grondeekhoorn.

Barbour onderzocht hoe slangen reageren op het staartvertoon van de eekhoorns door een aantal slangen uit te rusten met een radiozendertje, zodat hij hen in het veld kon volgen. Als hij zo’n slang ergens terugvond, stelden hij en een collega daar een videocamera op. Vaak ook bleven ze zelf de slang observeren.
Zo kwam hij erachter dat een slang vooral uitvalt naar niet-zwaaiende eekhoorns. Eekhoorns met wuivende staart valt hij niet gauw aan; zo’n beestje loopt pas gevaar als hij zich heel dichtbij de slangenkop waagt. De slang doet er slim aan om de zwaaiende eekhoorns met rust te laten, want als hij toeschiet proberen die altijd weg te springen, en dat lukt ze meestal ook. Van niet-zwaaiende eekhoorns springt nog niet de helft op tijd weg. Een wapperende staart is voor de slang dus een teken dat de eekhoorn hem in de gaten heeft en dat een aanval waarschijnlijk gaat mislukken. Bovendien kan zo’n eekhoorn vervelend worden en met zand gaan gooien of zelfs bijten, zodat de slang in de verdediging wordt gedrongen. Barbour zag dat trouwens niet vaak gebeuren.
Geconfronteerd met een zwaaiende eekhoorn blijft een ratelslang meestal doodstil liggen. En zo gauw de eekhoorn bij hem weg gaat, zal de slang vertrekken. Want de staartzwaaier heeft de andere eekhoorns gealarmeerd en ook die zijn nu op hun hoede. Dan zit een lekkere hap er niet meer in.
De eekhoorns zwaaien ook met hun staart als ze op plaatsen zijn waar een slang in hinderlaag zou kunnen liggen, ook als ze er geen zien. Zo schrikken ze een eventueel aanwezige slang bij voorbaat af.
Met een opgestoken en zwaaiende staart laten de grondeekhoorns dus aan ratelslangen merken dat ze waakzaam zijn. Een paar jaar geleden heeft Aaron Rundus ontdekt hoe dat ze dat signaal nog versterken. Normaal is de staart een stuk koeler dan de rest van het lichaam, maar tegenover ratelslangen warmen de eekhoorns hun staart een paar graden op. Warme voorwerpen zenden infrarode straling uit en de ratelslangen nemen die straling waar. Het maakt de slangen extra voorzichtig, zag Rundus toen hij in het lab slangen confronteerde met robots, gemaakt van opgezette eekhoorns; sommige robots wuifden met een koele, andere met een warme staart.
Maar ondanks het dappere staartvertoon verliezen de eekhoorns toch vaak jongen aan de slangen. In die zin blijven de rovers de baas.

Willy van Strien

Foto: Joseph V Higbee (Creative Commons)

Dappere eekhoorn; YouTube-filmpje van Amerikaanse onderzoekers

Bronnen:
Barbour, M.A. & R.W. Clark, 2012. Ground squirrel tail-flag displays alter both predatory strike and ambush site selection behaviours of rattlesnakes. Proceedings of the Royal Society B, 11 juli online. doi:10.1098/rspb.2012.1112
Rundus, A.S., D.H. Owings, S.S. Joshi, E. Chinn & N. Giannini, 2007. Ground squirrels use an infrared signal to deter rattlesnake predation. PNAS 104: 14372-14376. doi:10.1073/pnas.0702599104

Zie ook:
Prooien en predatoren hebben zo hun trucjes

Grote mannen met kleine ballen

Harembezitters hebben geen onbeperkte macht

walrus: grote man, kleine ballen

                            

Ze lijken heer en meester te zijn, de mannelijke walrussen, manenrobben en zeeolifanten die een stuk strand bezitten en toegang hebben tot alle vrouwen die daar komen. Met hun grote lijf hebben ze de strijd om zo’n harem gewonnen van andere mannen. Maar wat moeten ze beginnen tegen haremloze mannen die erin slagen om stiekem met vrouwen te paren?

John Fitzpatrick heeft vergelijkend onderzoek gedaan naar de concurrentie tussen mannelijke zeeroofdieren: oorrobben (zeeleeuwen, zeeberen), zeehonden (waaronder zeeolifanten) en de walrus. Daar zijn soorten onder waarbij elke man een partner kan vinden en nakomelingen krijgen, zoals de gewone zeehond. Maar er zijn ook soorten waarbij mannen een harem verdedigen. De harembezitters hebben veel vrouwen en kunnen veel nakomelingen krijgen, terwijl de vele haremloze mannen het nakijken hebben. Geen wonder dat de mannen van soorten met harems een felle concurrentiestrijd aangaan.
Om de strijd om een territorium te voeren ontwikkelden die mannen een groot lijf. Ze zijn veel groter dan de vrouwen, een verschil dat je bij soorten zonder harems niet vindt. Maar de concurrentie tussen mannen kan zich op twee niveaus afspelen. Als een vrouw met meerdere mannen paart, gaat het erom wiens zaadcellen de eicellen bevruchten. Een man heeft een grotere kans om deze spermaconcurrentie te winnen naarmate hij meer zaadcellen, dus een groter ejaculaat geeft. Voor deze strijd heeft hij grote zaadballen nodig.
Bij soorten zeeroofdieren met harems hebben mannen in verhouding juist kleine zaadballen, concludeerde Fitzpatrick uit literatuuronderzoek. Bij de soorten waar de mannen in verhouding tot de vrouwen het grootst zijn, zijn de zaadballen relatief het kleinst. Dat kan twee dingen betekenen. Ofwel forse harembezitters hebben vanwege hun machtige positie geen concurrentie te duchten, dus ze hoeven niet ook nog eens energie te steken in de aanmaak van extra veel zaadcellen. Ofwel ze kunnen geen energie steken in de concurrentie tussen zaadcellen, omdat ze alles moeten investeren in lichamelijke kracht. Bij de strijd om een territorium hebben ze immers enorm veel te winnen.
Fitzpatrick denkt dat de tweede mogelijkheid de juiste is. Omdat haremloze mannen er soms in slagen te paren – want een harembezitter kan niet voortdurend alle vrouwen in de gaten houden – komt er wel degelijk spermaconcurrentie voor. Daarin hoeft een grote harembezitter niet per se uit te blinken. Bovendien zal hij met al zijn vrouwen ook weleens met een tekort aan sperma zitten. Zo kan hij aan vaderschap verliezen aan haremloze mannen: de harembezitters hebben geen volledige alleenheerschappij.

Willy van Strien

Foto:Public domain images

Bron:
Fitzpatrick, J.L., M. Almbro, A. Gonzalez-Voyer, N. Kolm & L.W. Simmons, 2012. Male contest competition and the coevolution of weaponry and testes in pinnipeds. Evolution, 4 juli online. doi:10.1111/j.1558-5646.2012.01713.x

Gevaarlijke klanten

Roofvis brengt poetsvis in stress

poetsgrondel-laszlo-ilyes
Poetsgrondel is behoedzaam tegenover roofvis

Dieren schieten in de stress als ze een roofvijand zien. Ze kunnen dan op twee manieren reageren. Ofwel actief: vechten of vluchten. Ofwel passief: bevriezen.
Maar een poetsvis die een roofvis ziet aankomen bevindt zich in een lastige situatie. Zo’n roofvis is inderdaad gevaarlijk, maar hij komt voor een behandeling. Hoe gaat de poetser daarmee om?

Poetsvissen en hun klanten zijn een mooi voorbeeld van samenwerking. Een poetsvis ontvangt andere vissen op zijn poetsstation en plukt de parasieten van zijn bezoekers af; die parasieten zijn meestal bloedzuigende larven van zeepissebedden. Zo krijgt de poetser zijn voedsel binnen en worden de klanten verlost van parasieten: een goede deal voor beide partijen.
Regelmatig meldt zich echter een roofvis bij het poetsstation. Dat veroorzaakt stress bij de poetser, liet Marta Soares zien. Ze doet onderzoek aan de haaineuspoetsgrondel, Elacatinus evelynae, een visje van een paar centimeter lang dat leeft op de koraalriffen van het Caribische gebied. Het verleent zijn diensten aan allerlei grotere vissoorten; sommige klanten zijn wel een halve meter lang. In aquaria liet Soares deze poetsertjes een roofvis zien, en ze ontdekte dat dan het gehalte aan het stresshormoon cortisol omhoog schoot. Dat gebeurde niet als de poetsgrondels een onschuldige klant te zien kregen, of een vis die niet tot hun klantenkring behoort.
Maar een poetsvisje dat door een roofvis in de stress raakt, gaat niet vechten of vluchten, en het bevriest evenmin. De stress brengt bij de poetser een heel andere reactie teweeg: hij gaat onmiddellijk op de gevaarlijke klant af om hem een grondige schoonmaakbeurt te geven. Dat een roofvis meteen geholpen wordt, komt deels doordat andere klanten ervandoor gaan zo gauw hij zich vertoont. Maar dat is het niet alleen, want een onschuldige vis die als enige klant aanwezig is moet toch langer wachten dan een roofvis. De poetser gaat dus extra snel op een roofvis af.
Daarmee bevestigt hij waarschijnlijk zo gauw mogelijk wat de roofvis aan zijn kleurpatroon ziet: dat hij een dienstverlener is, en geen prooi. Daar mag geen misverstand over ontstaan. Bovendien: hoe eerder de roofvis behandeld is en vertrekt, hoe sneller de andere klanten weer komen.

Een haaineuspoetsgrondel springt overigens niet heel voorzichtig met een rover om. Hij besteedt weliswaar wat meer aandacht dan normaal aan de veilige plekken, zoals staart en vinnen, maar durft toch ook de bek te inspecteren. En hoewel de poetsvis het liefst parasieten eet, beduvelt hij de klant soms door een hapje van zijn schubben of slijmlaag te nemen. Dat doet hij bij een roofvis even vaak als bij een onschuldige vis.

Willy van Strien

Foto: Laszlo Ilyes (Creative Commons)

Poetsgrondel aan het werk op YouTube

Bronnen:
Soares, M.C., R. Bshary, S.C. Cardoso, I.M. Côté & R.F. Oliveira, 2012. Face your fears: cleaning gobies inspect predators despite being stressed by them. PLoS ONE 7: e39781, 27 juni online. doi:10.1371/journal.pone.0039781
Soares, M.C., S.C. Cardoso & I.M. Côté, 2007. Client preferences by Caribbean cleaning gobies: food, safety or something else? Behavioral Ecology and Sociobiology 61:1015–1022. DOI 10.1007/s00265-006-0334-6

Elf keer tegen de muren op

Plaktenen van gekko’s zijn meermalen ontstaan, blijkt uit stamboom

gekko-kellar-autumn
Gekko's ontwikkelden meermalen kleeftenen

Tegen een muur omhoog klimmen, over het plafond lopen, aan één teen hangen: veel gekko’s doen het met gemak, dankzij brede klevende kussentjes onder hun tenen. Van de ongeveer 1450 soorten gekko’s heeft meer dan de helft, 60 procent, pootjes met kleefkracht.
Dat kleefvermogen hebben gekko’s in hun evolutie minimaal drie keer en waarschijnlijk maar liefst elf keer ontwikkeld. Tony Gamble en collega’s maakten een evolutiestamboom van gekko’s door van 244 soorten het DNA (erfelijk materiaal) te vergelijken. Daarna keken ze op welke plaatsen in die stamboom de soorten met kleeftenen zaten. Ze vonden ze op elf verschillende takken; al deze elf groepen stammen af van een vooroudergekko zonder kleeftenen en ze hebben hun eigen variaties in de bouw van poten en tenen. Omdat de stamboom nog niet tot in detail bekend is, kunnen de kleefpoten ook iets vaker of iets minder vaak zijn ontstaan.

Het resultaat lijkt verrassend. Een kleefpootje is namelijk een heel bijzondere constructie, zoals onder anderen Kellar Autumn heeft beschreven voor de Aziatische tokeh en andere gekko’s. De kussentjes bestaan uit lamellen waarop miljoenen microscopische haartjes staan, de setae. Die haartjes splitsten zich allemaal in honderden uitlopers met een soort knopje aan het eind. Als die knopjes contact maken met een oppervlak waarop een gekko loopt, kan de poot vastplakken door middel van moleculaire vanderwaalskrachten.
Dat gebeurt echter niet zomaar. Een gekko moet zijn poten op een heel bepaalde manier bewegen om ze vast te plakken – met de knopjes goed georiënteerd – en ook om ze weer los te trekken. Daar zijn ook spieren, pezen en botten speciaal op gebouwd.
Je zou denken dat die bijzondere constructie in de evolutie één keer is ontstaan en dat alle gekko’s met kleefpoten dezelfde voorouder hebben. Maar dat is dus niet zo.

Dat de kleeftenen meermalen konden ontstaan danken gekko’s waarschijnlijk aan het feit dat de cellen van hun huid al een groot aantal kleine haarachtige uitsteekseltjes hebben die zich kennelijk gemakkelijk tot setae kunnen ontwikkelen; de andere aanpassingen volgden daarna, denken de onderzoekers. Overigens: gekko’s behoren tot de hagedissen en er zijn nog wat hagedissen die kleefpoten hebben ontwikkeld: anolissen en een enkele skink.

Willy van Strien

Foto: De Aziatische tokeh, Kellar Autumn

Bronnen:
Tony Gamble,T., E. Greenbaum, T.R. Jackman, A.P. Russell & A.M. Bauer, 2012. Repeated origin and loss of adhesive toepads in geckos. PLoS ONE 7(6): e39429, 27 juni online. doi:10.1371/journal.pone.0039429
Autumn, K., 2006. How gecko toes stick. American Scientist 24: 124-132. DOI:10.1511/2006.58.987

Op spinnenjacht

Girafwants gaat behoedzaam te werk

Girafwants is handige spinnenjager

Met hun kleverige webben en giftige beten zijn spinnen de geduchte roofvijand van insecten en ander klein grut. Omgekeerd zijn ze zelf nauwelijks te pakken. Toch zijn er diertjes die juist op spinnen jagen; zij draaiden de rollen om en werden rover in plaats van prooi.
Een opvallende spinnenjager is de wants Stenolemus giraffa uit het noordelijke, tropische deel van Australië. Het insect is op steile rotswanden te vinden op of bij spinnenwebben. Hij heeft geen Nederlandse naam en voor nu noemen we hem girafwants. Hij lijkt uit elkaar getrokken te zijn. Aan een kant zitten de kop met antennen en een deel van het borststuk met de voorpoten, dan komt een lange ‘giraffennek’, dan de rest van het borststuk met midden- en achterpoten en tenslotte een mager achterlijf. De zwart-wit gestreepte antennen en poten zijn lang. Een frêle wezen met een lengte van ongeveer vier centimeter. En dat jaagt op zulke gevaarlijke prooien?
Zeker, en Fernando Soley ontdekte hoe de girafwants dat doet: door met uiterste behoedzaamheid een rustende spin te benaderen.
De girafwants besteedt bijna de helft van zijn tijd aan de spinnenjacht. Als hij een spin in de peiling heeft, probeert hij die allereerst te benaderen zonder het web aan te raken. Hangend aan midden- en achterpoten gaat hij er via de rotswand op af. Lukt het om goed dichtbij te komen, dan buigt hij naar zijn prooi door zijn poten te strekken zodat hij hem met zijn voorpoten kan grijpen. De lange poten en giraffennek vergemakkelijken deze manier van jagen.
Alleen als het niet anders kan, stapt de girafwants op het web. Hij beweegt zich dan langzaam en met regelmatige pauzes naar de spin, om plotseling uit te vallen als die binnen bereik is. Omdat de wants zo lang is, wordt zijn gewicht over een groot oppervlak verdeeld en zal het web weinig trillen. Toch is er nu een risico dat de spin de belager in de gaten krijgt en ontsnapt of aanvalt; soms wordt de wants zelf weer prooi.
De gevaarlijkste situatie ontstaat als de spin aan de andere kant van het web zit. Dan trekt de wants met zijn voorpoten wat draden stuk om door het web heen te kunnen aanvallen. Dat moet heel voorzichtig gebeuren. Om te voorkómen dat de eindjes terugspringen en de spin alarmeren houdt de wants ze even vast, buigt ze om en laat ze langzaam los.
Al met al slaagt een aanval maar in de helft van de gevallen. De kans op succes is veel groter als de wants buiten het web kan blijven. Lukt het zo niet, dan blaast hij de aanval vaak af.
Maar als hij de spin overmeestert, is de beloning groot. De wants prikt zijn prooi aan met zijn steeksnuit, verlamt hem en zuigt hem langzaam leeg. Daarna kan hij dagenlang op het maaltje teren. En dat is wel wat waard.

Willy van Strien

Foto: Hangend aan middden- en achterpoten probeert de wants een spin te pakken, Fernando Soley

Bronnen:
Soley, F.G. & P.W. Taylor, 2012. Araneophagic assassin bugs choose routes that minimize risk of detection by webbuilding spiders. Animal Behaviour, 14 juni online. doi:10.1016/j.anbehav.2012.04.016
Soley, F.G. R.R. Jackson & P.W. Taylor, 2011. Biology of Stenolemus giraffa (Hemiptera: Reduviidae), a web invading, araneophagic assassin bug from Australia. New Zealand Journal of Zoology 38: 297-316. Doi 10.1080/03014223.2011.604092

Gevaarlijk gokspel

Buidelmeesouders piepen er stiekem tussenuit

buidelmees

Buidelmezen leven in luxe – en toch gaan veel legsels te gronde. De vogels kunnen volop de insecten vinden die hun jongen nodig hebben. Ze maken bijna volledig gesloten nesten van vooral zaadpluis, veilig en warm. Zo kan een ouder in zijn eentje een nest grootbrengen. Maar voor elke ouder is het aantrekkelijk als de ander dat doet, want dan kan hij of zij zelf met een nieuwe partner een volgend nestje beginnen. Elke ouder heeft daarom een zekere neiging om er vandoor te gaan. En dat pakt dramatisch uit: van één op de drie nesten verdwijnen beide ouders.
Aanvankelijk gaat alles goed. Man en vrouw vinden elkaar, beginnen een nest en blijven samen tot ze drie eieren hebben. Maar dan gaat een van de twee er opeens vandoor en is de ander gedwongen om de zorg voor de kleintjes op zich te nemen. Het ongelukkige is dat die ander in veel gevallen zelf ook net vertrekt. Een vogel die wegvliegt neemt dus wellicht een fatale beslissing. Maar de kans op een succesvol nieuw nest weegt op tegen het risico dat het eerste nest mislukt.

René van Dijk heeft zich zes jaar bezig gehouden met de vraag hoe de scheiding precies verloopt. Hij maakte video-opnamen bij een aantal nestbuidels in het Kiskunság Nationaal Park in Hongarije. Uit de beelden berekende hij achteraf hoe vaak man en vrouw bij het nest bezig geweest waren; mannen herkende hij aan hun grotere oogmasker.
Een paartje buidelmezen blijkt geen gezellig stelletje. In de periode dat ze samen zijn zitten ze slechts een klein deel van hun tijd bij het nest, en bijna nooit tegelijkertijd. Van Dijk zag op geen enkele manier aankomen dat een vogel er vandoor zou gaan – zelfs niet vlak voor het vertrek. Het kan dus zijn dat de vogels van het ene op het andere moment de beslissing nemen en hem dan meteen smeren. Het kan ook zijn dat ze hun voornemen om te gaan niet laten blijken; want dan zou de ander – als die al onraad bespeurt in de schaarse tijd die ze samen doorbrengen – dat voornemen kunnen dwarsbomen door zelf snel te gaan. Hoe dan ook: de vogels lijken elk hun eigen plan te trekken, zonder enige vorm van afstemming.
Gemiddeld hebben mannen een wat grotere neiging om zich te drukken: ruwweg 45 procent van de nesten wordt door ma grootgebracht en slechts 17 procent door pa (en 38 procent gaat verloren). Maar de voordelen en nadelen van vertrek zijn niet voor elke vogel even groot. Een man met een klein oogmasker kan bijvoorbeeld beter blijven, want zo’n man is onaantrekkelijk en vindt moeilijk een nieuwe partner. En aan het eind van het seizoen, als er weinig vrije vrouwtjes voorhanden zijn en de tijd krap wordt, zal een mannetje ook minder makkelijk vertrekken.
Het is een bizar systeem, waarin ouders gokken op de inzet van de ander – en vaak ten onrechte.

Willy van Strien

Foto: Saxifraga/Jörg Mager

Bronnen:
Van Dijk, R.E., J. Komdeur & T. Székely, 2012. Nest attendance does not predict offspring desertion by Eurasian penduline tit parents. Ethology, 19 juni online. doi: 10.1111/j.1439-0310.2012.02060.x
Van Dijk, R.E., T. Székely, J.Komdeur, Á. Pogány, T.W. Fawcett & F.J. Weissing, 2011. Individual variation and the resolution of conflict over parental care in penduline tits. Proceedings of the Royal Society B, 21 december online. doi: 10.1098/rspb.2011.2297

Musicerende mannekes van de Andes

Stompveermanakin strijkt zijn veren

stompveermanakin maakt geluid met zijn vleugels

Zangvogels piepen, zingen, fluiten of roepen. Maar de stompveermanakin maakt een ander soort geluid, een geluid waarvan je nooit zou raden dat het van een vogel komt: tsjak tsjieieieieieie……. Hij doet het op een spectaculaire manier: door zijn vleugels te laten klinken. Die vleugels zijn toegesneden op hun muzikale functie.

De stompveermanakin, Machaeropterus deliciosus, is één van ongeveer veertig soorten manakins uit Midden en Zuid Amerika; het woord manakin is volgens Wikipedia afgeleid van het oud-Nederlandse ‘mannekijn’. Het zijn vogeltjes met een grote kop en een korte staart. De vrouwtjes brengen hun jongen zonder hulp van vader groot. De vrijgestelde mannetjes proberen zoveel mogelijk vrouwtjes te verleiden. Ze maken veel werk van de balts, met felle kleuren, sierveren, bijzondere geluiden, dansen en sprongen.
De stompveermanakin springt eruit door zijn manier van geluid maken. Deze soort leeft in het nevelwoud op de westflank van de Andes, in een klein gebied in het zuiden van Colombia en het noorden van Ecuador. Mannetjes baltsen in groepen, op ruwweg 25 meter van elkaar. Ze geven een fraaie kijk- en luistershow weg, die Kimberley Bostwick ontrafelde met een hogesnelheidscamera. De mannen draaien hun zwart-witte, hoekige vleugels boven hun rug – dat gaat gepaard met een korte tsjak – en wapperen ermee met een ongelooflijk tempo van honderd bewegingen per seconde – daarbij klinkt een aangehouden tsjieieieieieie. De klanken dragen ver.
Het geluid komt van armpennen (of kleine slagpennen) met opvallende schachten. Deze veren slaan eerst tegen elkaar en werken vervolgens als strijkinstrument. De schacht van een van de armpennen is bijzonder dik en heeft zeven, soms acht ribbels. De schacht van de veer daarnaast heeft een gebogen, dunne en stijve top die tegen de ribbels aan ligt. Als de vogels met hun veren schudden, strijkt die dunne schacht bij elke beweging heen en weer over de ribbels. Zo ontstaat een hoge, vioolachtige toon van ongeveer 1500 Hertz (dat is 1500 trillingen per seconde: 100 bewegingen, 2 streken per beweging over 7 of 8 ribbels). De dikke schacht met ribbels en de dikke schacht van een derde speciaal gebouwde veer versterken de trillingen en werken als klankkast.

Maar ook de botten in de vleugel hebben een speciale bouw, ontdekte Bostwick toen ze museumexemplaren onderzocht. De ellepijp in de onderarm, waar de muzikale veren op vastzitten, is geen dun met merg gevuld staafje, zoals bij andere vogels. Hij is veel dikker en geheel massief en hij heeft een hoge botdichtheid. En het opperarmbeen, dat vleugel met schouder verbindt, is ook massief, terwijl het bij andere vogels hol is. De extra stevige vleugelbotten kunnen de grote krachten opvangen die ontstaan als de vogel zijn vleugels opsteekt en razendsnel beweegt. De ellepijp heeft bovendien bobbels en deuken die de speciale veren stevig op hun plaats houden; zonder die verankering zouden de trillingen uitdoven.

Gevolg is wel dat stompveermanakins zware vleugels hebben, terwijl andere vogels (loopvogels en duikende vogels uitgezonderd) juist lichte botten hebben om te kunnen vliegen. Toch vliegen ook deze mannekes met gemak.

Willy van Strien

Foto: Nick Athanas

Zie en hoor de balts op YouTube

Bronnen:
Bostwick, K.S., M.L. Riccio & J.M. Humphries, 2012. Massive, solidified bone in the wing of a volant courting bird. Biology Letters, 13 juni online. doi: 10.1098/rsbl.2012.0382
Bostwick, K.S., D.O. Elias, A. Mason & F. Montealegre-Z, 2010. Resonating feathers produce courtship song. Proceedings of the Royal Society B 277: 835–841. doi: 10.1098/rspb.2009.1576
Bostwick, K.S. & R.O. Prum, 2005. Courting bird sings with stridulating wing feathers. Science 309: 736. doi 10.1126/science.1111701

Opstandige slaven

Geknechte mieren verzwakken de macht van hun meesters

Slavenhouder Protomognathus americanus

Voor een mierenkolonie is heel wat werkkracht nodig, en die wordt uitsluitend geleverd door vrouwtjes. De koningin produceert een enorme hoeveelheid eitjes, de werksters bewaken het broed en als de larven uitkomen voeren ze die tot ze verpoppen. Daarnaast moeten ze voedsel zoeken en het nest onderhouden. Het is mooi als je wat karweitjes kunt uitbesteden – en sommige mierensoorten doen dat. Ze halen werksters van een andere soort.
Meestal gaan die ‘slaven’ gewoon aan de slag en werken ze even hard als ze in hun eigen nest zouden doen. Maar één slavenhoudende soort, Protomognathus americanus, heeft de pech dat zijn slaven zich tegen hem keren.

Protomognathus americanus leeft in het noordoosten van Noord Amerika en het zuiden van Canada. In de periode mei-juni gaan jonge koninginnen erop uit om een kolonie te beginnen. Zo’n koningin neemt daarvoor brutaalweg het nest van andere mieren over. Ze heeft het gemunt op drie Temnothorax-soorten die leven in een holle eikel of een rottend stukje hout. De koningin doodt of verjaagt alle volwassen mieren en neemt haar intrek. Als daarna de poppen van de verjaagde mieren uitkomen, worden de jonge werksters slaaf van de vreemde koningin. Die gaat eitjes leggen en met hulp van de slaven groeien haar grof gebouwde dochters op. Die helpen niet in het nest, maar gaan af en toe op slavenjacht. Dan zoeken en veroveren ze een nest van een slaafsoort en nemen de larven en poppen mee. Dat levert de slavenhouderskolonie een nieuwe generatie slaven op.
Maar de slaven nemen wraak. Zij verzorgen de larven van de koningin-meesteres met alle toewijding, maar zo gauw die zijn verpopt verandert de sfeer. De slaven pakken sommige poppen beet en trekken ze uit elkaar; andere poppen slepen ze de broedkamer uit en laten ze verkommeren. Tobias Pamminger en collega’s haalden een groot aantal mierennesten naar het lab, brachten die onder in doorzichtige plastic doosjes en keken hoeveel poppen overleefden. In vrije nesten van de slaafsoorten hielden de werksters 85 procent van de poppen in leven. Maar van de poppen van de slavenhouder in een slavenhoudersnest ging ruim de helft dood. De onderzoekers denken dat de slaven die poppen aan hun karakteristieke soortgeur kunnen herkennen; larven hebben die geur nog niet.

Deze opstandigheid is uniek onder mierenslaven. De slaven zelf schieten er niets mee op: zij zijn en blijven in dienst van de vreemde koningin. Maar ze houden haar kolonie klein. En hoe minder dochters een slavenhoudende koningin heeft, hoe minder nieuwe slaven gehaald kunnen worden. Daarvan profiteren de naburige kolonies van de slaafsoorten, en die zullen vaak familie zijn van de rebellerende slaven.
Deze slavenopstand is de tweede verdediging die slaafsoorten hebben. Want als slavenhouders een nest aanvallen, zullen de overvallen werksters allereerst proberen hun nest te verdedigen of koningin en broed in veiligheid te brengen. Als die eerste verdediging niet lukt, zetten ze de tweede verdediging in: ze houden de veroveringstroepen van hun meesters klein.

Willy van Strien

Foto: De flink gebouwde slavenhouder, Alex Wild

De slavenjacht op YouTube, filmpje van Tobias Pamminger; Protomognathus is donker, de slaven zijn licht gekleurd

Bronnen:
Pamminger, T., A. Leingärtner, A. Achenbach, I.Kleeberg, P.S. Pennings & S. Foitzik, 2012. Geographic distribution of the anti-parasite trait ‘slave rebellion’. Evolutionary Ecology, 13 juni online. DOI 10.1007/s10682-012-9584-0
Achenbach. A. & S. Foitzik, 2009. First evidence for slave rebellion: enslaved ant workers systematically kill the brood of their social parasite Protomognathus americanus. Evolution 63: 1068-1075. DOI: 10.1111/j.1558-5646.2009.00591.x

Rode heethoofden en zwarte lefgozers

Kopkleur vertelt hoe agressief of dapper een Gouldamadine is

gouldamadine: karakter hangt samen met kopkleur

De kleurrijke Gouldamadines uit het noorden van Australië zijn er in drie typen: er zijn vogels met een zwart, een rood en een geel kopje. Het is al bijzonder dat er drie kleurvormen naast elkaar voorkomen, maar het is nog bijzonderder dat de kopkleuren, die erfelijk zijn bepaald, gekoppeld zijn aan verschillen in karakter, zoals Leah Williams laat zien.
Zwartkoppige vogels zijn met 70 procent het meest algemeen. Dertig procent van de dieren is rood en minder dan één op duizend vogels heeft een gele kop. Williams testte rode en zwarte vogels op een aantal persoonlijkheidskenmerken en vond opvallende verschillen. De rode dieren – mannetjes zowel als vrouwtjes – bleken heetgebakerd; ze waren veel agressiever tegenover elkaar dan zwarte vogels. Die zwarte vogels op hun beurt waren nieuwsgieriger en roekelozer dan de rode. Nadat de onderzoekers een bundel draden aan een zitstok hadden gehangen, gingen de zwarten daar eerder op af. En als de onderzoekers de dieren bang maakten met een roofvogelsilhouet, durfden de zwarte vogels sneller weer te gaan eten.

Dat dieren verschillende persoonlijkheden hebben, is al langer duidelijk. Maar uniek is dat die verschillen zo duidelijk samengaan met het uiterlijk.

De verschillende strategieën – agressief of nieuwsgierig en dapper – blijven naast elkaar bestaan. Buiten het broedseizoen trekken de vogels in groepjes met elkaar op. De rode vogels zijn dan dominant en verdringen de zwarten van de beste plaatsen met voedsel; ze eten vooral graszaden. De zwarten compenseren dat door hun slag te slaan op plaatsen waar de roden zich niet zo snel wagen: nieuwe plekken en plekken waar een roofvogel in de buurt is. Wellicht kunnen ze zich die roekeloosheid veroorloven omdat ze met hun donkere kop minder opvallen – al zijn ze verder even kleurig.

In de broedtijd vormen zich monogame paren, en beide ouders zorgen voor hun jongen. Trekken tegenpolen elkaar dan aan? Nee, had eerder onderzoek laten zien. Jongen uit een gemengd huwelijk doen het slecht. De sterfte onder zonen van zo’n koppel is 40 procent hoger en de sterfte onder dochters is zelfs 80 procent hoger dan onder de nakomelingen van een ouderstel van één kleurtype. Kennelijk passen verschillende typen genetisch gezien niet goed bij elkaar. Vogels zoeken dan ook bij voorkeur een partner van hun eigen kleur. Maar ze slagen daar niet altijd in, en dertig procent van de paren in het wild is gemengd. Moeder maakt er dan het beste van door te zorgen ze meer zoons dan dochters krijgt: gemiddeld vier jongens op één meisje. Hoe ze dat klaar speelt, is nog onbekend.

De Gouldamadine, Erythrura gouldiae, is een bedreigde en beschermde vogel.

Willy van Strien

Foto: Gerhard Hofmann

Bronnen:
Williams, L.J., A.J. King & C. Mettke-Hofmann, 2012. Colourful characters: head colour reflects personality in a social bird, the Gouldian finch, Erythrura gouldiae. Animal Behaviour, 6 juni online. doi:10.1016/j.anbehav.2012.04.025
Pryke, S.R. & S.C. Griffith, 2009. Genetic incompatibility drives sex allocation and maternal investment in a polymorphic finch. Science 323: 1605-1607. DOI: 10.1126/science.1168928