Giftig kleurtje

Hoe feller de wesp, hoe slechter hij smaakt

Wesp is giftiger naarmate hij feller gekleurd is

Als dieren opvallend gekleurd zijn, is dat vaak een waarschuwing aan hun vijanden: pas op, want ik ben giftig. De predatoren leren het snel af om zulke dieren op te eten. Tenminste, als de felgekleurde dieren inderdaad giftig zijn. Het waarschuwingssignaal werkt alleen als het een eerlijk signaal is. En in dat geval zou moeten gelden: hoe intenser de kleur, hoe giftiger het beestje. Een dier in goede conditie kan zowel veel kleurstoffen als veel gifstoffen maken, zo is het idee.
Bij de Franse veldwesp, Polistes dominula, klopt dat mooi, schrijven Manuel Vidal-Cordero en collega’s. Deze wesp, die open papieren nesten bouwt en één à twee centimeter lang is, heeft een felle geel-zwarte tekening. Het ene exemplaar is wat feller, het andere wat fletser van kleur.
De wesp jaagt op andere insecten, die hij doodt door te steken met zijn angel die met een gifklier is verbonden. Dat gif werkt op twee manieren: de wesp kan er niet alleen zijn prooien mee doden, maar het maakt ook de wesp zelf oneetbaar. Een insectenetende vogel kan de wespen dus maar beter met rust laten. En de grootte van de gifklier, stellen de onderzoekers, is een goede maat voor de giftigheid van de wesp.
Ze deden een eenvoudig, maar grappig onderzoek aan een aantal werksters; ze bepaalden hoe intens de zwarte en gele kleur op de bovenkant van het achterlijf waren en ze maten de gifklier op. Het bleek dat de felst gekleurde wespen de grootste gifklier hadden. Dus voor deze wespen geldt inderdaad: hoe feller van kleur, hoe giftiger.

Willy van Strien

Foto: Joaquim Alves Gaspar (Creative Commons)

Bron:
Vidal-Cordero, J.M., G. Moreno-Rueda, A. López-Orta, C. Marfil-Daza, J.L. Ros-Santaella &F.J. Ortiz-Sánchez, 2012. Brighter-colored paper wasps (Polistes dominula) have larger poison glands. Frontiers in Zoology, 9:20, 20 augustus online. doi:10.1186/1742-9994-9-20

Halfhartige pleegouders

Eksters tikje onwillig tegenover kuifkoekoekje

Kuifkoekoek laat jongen grootbrengen door eksters

In Zuid-Europa hebben eksters te maken met een opdringerige vijand: de kuifkoekoek. Deze broedparasiet legt zijn eieren in de nesten van eksters, met de bedoeling dat zij de eieren uitbroeden en de jongen grootbrengen. En dat doen de eksters ook. De pleegouders-tegen-wil-en-dank lijken niet anders te kunnen dan de jonge kuifkoekoeken als hun eigen jongen te behandelen.
Maar tot zijn eigen verrassing ontdekte Manuel Soler – die deze vogels al jaren bestudeert en van haver tot gort moet kennen – dat eksterouders wel degelijk hard kunnen zijn voor vreemde jongen. Al laten ze daar in de praktijk weinig van blijken.
Eksters hebben vaak zowel eigen jongen als een of twee kuifkoekoekjongen te verzorgen. Een jonge kuifkoekoek gedraagt zich namelijk in één opzicht netter dan het jong van de gewone koekoek: hij laat zijn nestgenootjes met rust. Een gewoon koekoekjong doet dat niet. Die kiept de jongen van zijn gastouders uit het nest zodat hij de zorg van zijn pleegouders voor zich alleen heeft.
Toch zijn de jonge ekstertjes uiteindelijk slecht af. De kuifkoekoekmoeder die een eksternest op het oog heeft plant haar eileg namelijk zo dat haar jong drie of vier dagen eerder uit het ei kruipt dan de eksterjongen. Het groeit bovendien goed. Als de kleine eksters uitkomen, is het ongewenste pleegkind al ongeveer vier keer zo zwaar als zij. Nu hebben veel vogelouders de gewoonte om een jong meer voer geven naarmate hij groter is. De eksters stoppen het kuifkoekoekjong dan ook goed vol terwijl hun eigen jongen te kort komen. Slechts een enkel eksterjong overleeft het.

Soler maakte legsels met een ongewone samenstelling door eieren tussen nesten uit te wisselen. In zijn proefnesten kwamen één tot drie kuifkoekoekjongen uit, één tot drie eksterjongen, één kuifkoekoekje met één ekstertje of één jonge koekoek met twee jonge eksters, maar dan zó, dat de eksterjongen in de ‘gemengde’ nesten even groot waren als de kuifkoekoeken. Hij had dit eigenlijk met een ander doel gedaan, maar ontdekte iets geheel onverwachts. Terwijl de eksterjongen in deze proef allemaal voorspoedig opgroeiden, bleef één op de vijf kuifkoekoekjongen in groei achter. Sommige eksterouders bleken de kuifkoekoekjes te verwaarlozen, ook al waren ze even groot als de jonge eksters en zou je dus verwachten dat ze evenveel voer zouden krijgen. Ook in de nesten met alleen kuifkoekoekjongen verkommerden enkele kleintjes.
Ruim de helft van de verwaarloosde kuifkoekoekjongen ging uiteindelijk dood; de rest kwam op een goed moment weer in de groei, maar bleef ondermaats.
Het lijkt erop dat de eksterouders vreemde jongen herkennen en enige onwil hebben om ze te voeren; of misschien geven ze hen voedsel van lage kwaliteit. Die onwil is echter te zwak om enig effect te hebben. In de praktijk zijn de kuifkoekoekjongen groter dan de eksterjongen en de neiging om de grootste jongen extra veel te geven blijkt onweerstaanbaar. De kuifkoekoek buit die ouderlijke neiging uit, en halfhartige eksters kunnen de broedparasieten niet van zich afschudden.

Willy van Strien

Foto: Ian N. White (Creative Commons)

Bron:
Soler, M. & De Neve, L., 2012. Great spotted cuckoo nestlings but not magpie nestlings starve in experimental age-matched broods. Ethology, 22 augustus online. doi: 10.1111/eth.12004

Schrokop zonder mond of maag

Kleine spons compleet verbouwd na vleesmaaltijd

Spons Asbestopluma hypogea is een vleeseter

Het is een frêle wezen, het sponsje Asbestopluma hypogea: een bolletje met sprieten op een steeltje. Je zou niet denken dat dit bolletje diertjes eet. Dat lijkt ook een haast onmogelijke opgave, want het sponsje heeft geen spijsverteringsstelsel. Als Asbestopluma een prooi te pakken heeft, moet hij een spectaculaire reorganisatie ondergaan om dat voedsel te kunnen verwerken, zoals Camille Martinand-Mari en collega’s beschrijven.

Sponzen zijn de eenvoudigste van de meercellige dieren, uiterst simpel gebouwd. Ze bestaan wel uit een aantal verschillende celtypen, maar de cellen vormen geen weefsels, laat staan organen. Er is dus ook geen mond, geen maag en geen darm. Sponscellen filteren kleine voedseldeeltjes rechtstreeks uit water dat via een centrale holte of een stelsel van kanaaltjes door het sponslichaam stroomt. Ze nemen die voedseldeeltjes op en verteren ze.
Sponzen van de familie Cladorhizidae, waar Asbestopluma toe behoort, zijn nog eenvoudiger van bouw dan andere sponzen, want ze hebben zelfs die centrale holte en kanaaltjes niet; ze zijn geheel gesloten. En juist deze supereenvoudige sponzen zijn vleeseters. Ze leven op grote diepte in oceanen, waar het water extreem weinig voedseldeeltjes bevat. Andere beestjes eten, zoals diepzeegarnaaltjes die daar schaars voorkomen, is de enige manier om iets binnen te krijgen.
Als diepzeesoorten zijn deze sponzen nauwelijks te bestuderen. Maar er is er één te vinden in grotten in de Middellandse Zee: Asbestopluma hypogea. Die doet het zelfs goed in een zeeaquarium.
Het lichaam van Asbestopluma, tot acht millimeter lang, heeft een steel die met een voetplaat op de bodem staat. Als de spons lange tijd geen prooi heeft gehad, steken er tientallen lange, dunne draden uit, de filamenten. Deze draden zit vol kleine haakjes, zoals de harde helft van klittenband. En zo werkt het ook: kleine beestjes met een harig oppervlak (zoals de zachte helft van klittenband) komen eraan vast te zitten.
Het sponslichaam buigt zich om zo’n gevangen prooi heen en sluit hem in. Sponscellen bewegen zich naar die plek toe en hopen zich tijdelijk rond de prooi op. In voet en steel ontstaan nieuwe cellen die zich omhoog werken. De filamenten verdwijnen doordat cellen die er deel van uitmaken ofwel doodgaan, ofwel zich naar de prooi bewegen.
De prooi valt langzaam in stukjes uiteen, waarschijnlijk doordat sponscellen enzymen afscheiden. Harde onderdelen worden naar buiten gewerkt.
Als de prooi helemaal ‘fijn’ is, nemen sponscellen de kleine deeltjes op om ze te verteren, zoals bij sponzen gebruikelijk is. Volgevreten cellen gaan nu via de steel naar de voet en worden daar afgebroken en gerecycled. Er verschijnen in dit stadium weer nieuwe filamenten, de spons maakt zich klaar om een nieuwe prooi vast te klitten.
De vertering neemt dagen in beslag, anderhalve week voor een grote prooi.
De voet is niet alleen om mee te staan, concluderen de onderzoekers. Hij is van veel groter belang, want daar worden immers oude cellen afgebroken en gerecycled en nieuwe cellen opgebouwd.

Willy van Strien

Foto: Alain Sahuquet

Bron:
Camille Martinand-Mari, C., J. Vacelet, M. Nickel, G. Wörheide, P. Mangeat & S. Baghdiguian, 2012. Cell death and renewal during prey capture and digestion in the carnivorous sponge Asbestopluma hypogea (Porifera: Poecilosclerida). Journal of Experimental Biology, 16 augustus online. doi: 10.1242/​jeb.072371
Vacelet, J. & E. Duport, 2004. Prey capture and digestion in the carnivorous sponge
Asbestopluma hypogea (Porifera: Demospongiae). Zoomorphology 123:179-190. doi 10.1007/s00435-004-0100-0

Luidruchtige bouwvakkers

Mieren werken goed samen dankzij graafsignaal

Mier Atta vollenweideri communiceert met geluid

Het lijkt een ongeordend zooitje, een mierennest met al die krioelende beestjes. Maar in werkelijkheid hebben ze het goed voor elkaar. De mieren van een kolonie maken samen een nest en houden dat schoon, ze halen voedsel en ze bewaken en verzorgen de koningin en het broed. Die samenwerking vereist samenspraak. Het is bekend dat mieren vooral met geurstoffen communiceren, maar ze hebben ook andere mogelijkheden. Steffen Pielström ontdekte dat mieren van de soort Atta vollenweideri geluid maken om hun maatjes te laten weten waar ze gangen en kamers voor hun nest uitgraven.

Atta vollenweideri, een mier die leeft op Zuid-Amerikaanse vlakten, maakt enorme nesten waarin miljoenen mieren wonen. De nesten liggen in het landschap als kale heuvels die acht meter breed en anderhalve meter hoog kunnen zijn. Een paar honderd gaten zorgen voor ventilatie. Via gaten bovenop het nest trekt er lucht naar buiten; de mieren bouwen torentjes rondom de gaten die de trek bevorderen. Via gaten aan de zijkant stroomt verse lucht naar binnen. Door de gaten aan de zijkant lopen ook de talloze mieren in en uit.
Ook ondergronds is het bouwwerk complex. Deze mieren zijn bladsnijders: ze knippen grassprieten en stukjes blad af en brengen die naar hun nest. Ze gebruiken dat plantaardig materiaal niet direct als voedsel, omdat ze het niet kunnen verteren. Maar ze kauwen het fijn en geven het aan schimmels die ze in ondergrondse schimmeltuinen houden. De schimmels verwerken het en maken voedzame knoppen die de mieren wel kunnen eten. Mieren en schimmels zijn geheel op elkaar aangewezen. De mieren zouden zonder schimmel niet te eten hebben. De schimmel krijgt een groeiplaats met een goed klimaat, bescherming en voeding. Voor hun schimmelkweek hebben de mieren duizenden ondergrondse kamers aangelegd; ook de koningin en het broed verblijven in die kamers. Onder de kweekkamers zijn enorme afvalputten uitgegraven.

Hoe maken de mieren zo’n nest? Als elke mier zomaar ergens zou gaan graven, zou er natuurlijk nooit een fatsoenlijk nest ontstaan, laat staan een complex nest.
Het is dus geen wonder dat de mieren hun activiteiten op elkaar afstemmen. Het blijkt dat ze dat ze dat doen door tijdens graafwerkzaamheden een hoorbaar geluid te maken. Achter hun ‘taille’ hebben ze speciale structuren die ze over elkaar wrijven door hun achterlijf een beetje op en neer te bewegen. Ze ‘striduleren’, min of meer zoals krekels dat doen. Mieren kunnen niet horen, maar via poten en antennen nemen nestgenoten de trillingen in de bodem waar die door het striduleren ontstaan, tot een afstand van maximaal zes centimeter.
Pielström deed een serie vernuftige proeven in het lab, waarbij hij mieren in doorzichtig plastic doosjes en buisjes had en liet graven in vochtige klei; hij gebruikte behalve Atta vollenweideri ook de verwante soort Atta cephalotes. Hij stelde vast dat de mieren geluid gaan maken vlak voordat ze beginnen te graven en blijven striduleren terwijl ze met hun kaken de grond loswrikken en bijeen harken. Mieren die in de buurt zijn reageren daarop door op dezelfde plaats aan de slag te gaan. Zo verenigen ze hun krachten en graven ze gezamenlijk gangen en kamers uit.
Het was al bekend dat veel mieren geluid kunnen maken, en dat die stridulatie bij bladsnijders dient als alarmsignaal of om nestgenoten erbij te roepen als er gras of blad geknipt wordt. Nu blijkt het ook een middel om de nestbouw te coördineren.

Willy van Strien

Foto: Steffen Pielström

Zie ook: Good vibrations

Op YouTube: Atta cephalotes knipt blad

Bron:
Pielström, S. & F. Roces, 2012. Vibrational communication in the spatial organization of collective digging in the leaf-cutting ant Atta vollenweideri. Animal Behaviour, 15 augustus online. doi 10.1016/j.anbehav.2012.07.008

Valse schijn

Kakkerlakken bootsen lampjes van giftige kniptorren na

Kakkerlak doet giftige kniptor Pyrophorus na

 

Het was ruim tien jaar geleden een spectaculaire ontdekking. Een aantal zeldzame soorten kakkerlakken uit tropisch Zuid-Amerika bleek twee lichtgevende vlekken te hebben. Peter Vršanský en collega’s schrijven nu dat deze kakkerlakken lichtgevende kniptorren nabootsen. Die kniptorren zijn giftig en insecteneters hebben geleerd om ze met rust te laten. De kakkerlakken zijn lekker en voedzaam, maar door deze lampjes te dragen doen ze alsof ze ook giftig zijn.

Lichtgevende insectensoorten zijn er maar weinig. Het bekendst zijn de sprookjesachtige vuurvliegjes en glimwormen, die eigenlijk verkeerde namen hebben want het zijn kevers respectievelijk keverlarven. Daarnaast zijn er enkele soorten kniptorren (Pyrophorus-soorten) met twee voortdurend gloeiende groengele vlekken op de rugkant van hun borststuk. Het licht is een waarschuwing aan insecteneters dat deze kevers giftig zijn. Als er gevaar dreigt, gaan de lampjes feller schijnen. Daarnaast hebben deze grappige kniptorren een oranjegroen lampje aan de onderzijde van het achterlijf dat aangaat als ze vliegen.
Dertien soorten kakkerlakken (Lucihormetica-soorten), laat Vršanský zien, hebben lampjes op de rugkant van hun borststuk die even groot zijn als de lampen van kniptorren, even ver uit elkaar liggen en dezelfde kleur licht uitstralen. Althans, de mannetjes hebben zulke lichtjes. Waarom vrouwtjes geen lampen hebben, is niet bekend. Misschien dat zij zich nooit laten zien, en dan hoeven ze ook niet op giftige kevers te lijken.
Verrassend is dat de lampjes van de kakkerlakken ingewikkelder van bouw zijn dan die van vuurvliegjes en kniptorren. Het licht ontstaat door een chemische reactie in een speciale, van de rest van het lichaam geïsoleerde ruimte die met een doorzichtige laag is afgedekt.
Met hun lichtjes kunnen de kakkerlakken rovers alleen misleiden als het donker is, want anders zien die toch wel dat ze een lekker vette kakkerlak voor zich hebben in plaats van een giftige kniptor. Vandaar waarschijnlijk dat deze kakkerlakken alleen voorkomen op plaatsen waar het ’s nachts helemaal duister is, buiten bebouwde gebieden met lichtvervuiling. Die gebieden worden steeds schaarser en de kakkerlakken zijn zelfs in geschikte gebieden zeldzaam.

Willy van Strien

Foto: Een kniptor met lampjes, het voorbeeld voor de kakkerlakken, Adrian Tween (Creative Commons)

Bron:
Vršanský, P., D. Chorvát, I. Fritzsche, M. Hain & R. Ševčík, 2012. Light-mimicking cockroaches indicate Tertiary origin of recent terrestrial luminescence. Naturwissenschaften, 5 augustus online. doi 10.1007/s00114-012-0956-7

Verliefd op een madeliefje

Afrikaanse plant lokt bestuivers met voedsel en seks

Madeliefje Gorteria diffusa bootst vlieg na

Net als veel andere bloemen lokt het Zuid-Afrikaanse madeliefje Gorteria diffusa insecten met nectar. Aan de vliegjes die de nectar van deze plant verzamelen plakt stuifmeel vast en dat gaat mee naar de volgende bloem die ze bezoeken. Daar komt wat stuifmeel op de stempel terecht, zodat die volgende bloem bestoven wordt en zaad kan zetten.
Maar dit madeliefje kan zijn bestuivers ook nog op een andere manier lokken. Sommige bloemen hebben een paar vlekken die eruitzien als vrouwtjesvliegen en die zijn onweerstaanbaar voor mannetjes. Tijdens hun enthousiaste poging om met zo’n vlek te paren, komen die onder het stuifmeel te zitten dat ze vervolgens meenemen naar volgende bloemen. De beloning is vals, maar de truc werkt uitstekend.

Deze misleidende strategie was al bekend van soorten orchideeën, zoals bijenorchis en vliegenorchis, die insectenmannetjes lokken met bloemen die op vrouwtjes lijken. Gorteria diffusa is de eerste plant buiten de orchideeënfamilie waarvan gebleken is dat hij bestuivers seksueel misleidt. Het is een eenjarige voorjaarsbloeier met oranje bloemen van drie à vier centimeter in doorsnee. Maar wat wij als één bloem zien, is in feite een verzameling kleine bloemetjes. Het hart van de samengestelde bloem bestaat uit buisbloemen, de krans uit straalbloemen.
Het bijzondere van dit plantje is dat er verschillende bloemvormen bestaan die op verschillende plaatsen voorkomen. Overal wordt de plant vrijwel alleen bestoven door het vliegje Megapalpus capensis. Alle varianten lokken voedselzoekende vliegjes met nectar, maar slechts enkele bloemvormen verleiden daarnaast ook paarlustige mannetjes.

Zo’n seksueel misleider groeit bijvoorbeeld in de omgeving van Springbok. Een paar straalbloemen van deze variant hebben een donkere vlek die verdikt en een tikje pukkelig is; hier en daar zit er een wit stipje op. Het geheel maakt de indruk van een matglanzend vliegenlijfje. Deze treffende vliegenimitaties hebben een grote aantrekkingskracht op vliegenmannetjes, lieten Marinus de Jager en Allan Ellis zien. Die trappen in de val omdat ook echte vrouwtjes die willen paren op madeliefjes zitten. Maar die zijn schaars, want vrouwtjes paren waarschijnlijk maar één keer. Omdat mannetjes vaker willen, is er een overmaat aan zoekende mannetjes en die gaan af op alles wat op een vrouwtje lijkt. De plant maakt misbruik van die hitsigheid om zijn stuifmeel te laten verspreiden.
Maar op andere plaatsen groeien varianten met effen straalbloemen, of met straalbloemen die allemaal een eenvoudige donkere vlek hebben. Daar komen mannetjes, net als vrouwtjes, wel op af voor de nectar, maar niet voor seks.
De vraag is waarom het madeliefje op sommige plaatsen alleen voedselzoekende vliegjes lokt en op andere plaatsen ook mannetjes die hunkeren naar seks. Het lijkt erop dat mannetjes en vrouwtjes verschillend presteren. Bestuivers doen twee dingen op een bloem. Ze bestuiven de bloem met stuifmeel van vorige bloemen en ze nemen stuifmeel mee naar volgende bloemen. Seksueel opgewonden vliegenmannetjes blijken meer stuifmeel te verspreiden dan nectarverzamelaars. De nectarverzamelaars, met name de vrouwtjes, blijven wat langer op een bloem en geven daardoor misschien wat meer stuifmeel af. Het kan zijn, speculeren de onderzoekers, dat planten op plaatsen waar de vliegjes schaars zijn nauwelijks voldoende stuifmeel ontvangen en daarom alle energie steken in het lokken van voedselzoekers, die immers meer stuifmeel afgeven. Op plaatsen waar veel vliegjes zijn en planten altijd voldoende stuifmeel binnenkrijgen, kunnen ze extra veel stuifmeel exporteren door mannetjes te laten rollebollen met een goede nabootsing van een vrouwtje.

Willy van Strien

Foto: Allan Ellis

Bronnen:
Jager, M.L. de & A.G. Ellis, 2012. Gender-specific pollinator preference for floral traits.Functional Ecology, 31 juli online. DOI: 10.1111/j.1365-2435.2012.02028.x
Ellis, A.G. & S.D. Johnson, 2010. Floral mimicry enhances pollen export: the evolution of pollination by sexual deceit outside of the Orchidaceae. The American Naturalist 176; E143-E151. DOI: 10.1086/656487

Op de koffie

Een schadelijke schildluis met vriend en vijand

Mier Azteca instabilis valt kever lieveheersbeestje aan

 

Een grijs lieveheersbeestje met twee zwarte stippen eet de groene koffieschildluis. Dat lijkt niets bijzonders: lieveheersbeestjes eten nu eenmaal zulk ongedierte. Maar deze schildluizen worden streng bewaakt door mieren die de vijanden op afstand houden. Behalve dus dat ene lieveheersbeestje. Dat kevertje weet niet alleen de bewaking te omzeilen, maar het profiteert zelfs van de agressiviteit van de mieren. Mede dankzij tussenkomst van een vliegje, zoals Ivette Perfecto en collega’s lieten zien.

De groene koffieschildluis, Coccus viridis, is een belangrijke plaag op koffiestruiken. De schildluizen doen het vooral goed op koffieplantages met bomen waarop de mier Azteca instabilis zijn grote nesten maakt van kartonachtig materiaal. De mieren beschermen de schildluizen tegen rovers en parasieten. In ruil daarvoor kunnen ze de suikerrijke honingdauw aftappen die de bladluizen uitscheiden. Dankzij die samenwerking floreren de schildluizen en richten ze soms grote schade aan.
Maar op het lieveheersbeestje Azya orbigera hebben de mieren geen vat. De larven van het kevertje zien eruit als pluisjes met lange uitsteeksels van witte kleverige was. Die uitsteeksels maken ze onkwetsbaar. De mieren proberen soms een larve te bijten, maar dan lopen hun kaken vast in het kleverige goedje. De larven kunnen dan ook vrijwel ongestoord smikkelen van de schildluizen. Ook de keverpoppen hebben uitsteeksels van was en zijn veilig voor de mieren.
En dat niet alleen, maar de larven en poppen hebben ook voordeel van de mierenbewaking. Ten eerste hebben de larven hun prooien geheel voor zichzelf, want andere rovers krijgen geen kans. Ten tweede verjagen de mieren alle beestjes, ook de vijanden van de keverlarven en -poppen. Geen betere plaats dus dan een koffieplant met schildluizen als voedsel en mieren als beschermers.

Alleen: hoe komen de keverlaven daar? De larven zelf zijn weinig mobiel. Volwassen kevers worden door de mieren verjaagd, dus het is voor een kevervrouwtje moeilijk en riskant om haar eitjes op een geschikte plant – met schildluizen en mieren – te leggen. Een onbeschermd kevereitje zou bovendien onmiddellijk worden opgegeten.
Hier komt een vierde partij om de hoek kijken, het parasiterende vliegje Pseudacteon laciniosus. Dat is een gevaarlijke vijand van de mieren. Het legt zijn eitjes in hun lijf; per mier één ei. De made die uit zo’n eitje komt begeeft zich naar de mierenkop en eet die van binnenuit leeg. Geparasiteerde mieren veranderen in zombies, totdat uiteindelijk hun kop eraf valt.
Zo gauw de vliegjes verschijnen, vluchten de mieren naar hun nest of een andere schuilplaats, of ze blijven onbeweeglijk zitten. Twee uur lang zijn ze veel minder actief dan normaal. En ze waarschuwen elkaar met een speciale geurstof voor de aanwezigheid van de vlieg.
Daar maakt het lieveheersbeestje slim gebruik van. Volwassen vrouwtjes die gepaard hebben en klaar zijn om eitjes te leggen, nemen het waarschuwingssignaal van de mieren waar en gaan eropaf. Zo vinden ze koffieplanten met schildluizen en mieren. Ze komen daar aan op een moment dat de mieren inactief zijn. Ze hebben dan tijd om schildluizen te eten en, wat belangrijker is, om hun eitjes te leggen. Ze kiezen daar veilige plaatsen voor uit. Ze leggen de eitjes bijvoorbeeld onder het met was beschermde pophuidje van een lieveheersbeestje of onder een schildluis. De mieren laten die eitjes met rust, en de larven die eruit komen bevinden zich in Luilekkerland.

Willy van Strien

Foto: Mier probeert keverlarve aan te vallen; op de stengel zitten schildluizen, Ivette Perfecto

Bronnen:
Hsieh, H.-Y.,H. Liere, E.J. Soto & I, Perfecto, 2012. Cascading trait-mediated interactions induced by ant pheromones. Ecology and Evolution, 27 juli online. doi: 10.1002/ece3.322
Liere, H. & A. Larsen, 2010. Cascading trait-mediation: disruption of a trait-mediated mutualism by parasite-induced behavioral modification. Oikos 119: 1394-1400. doi: 10.1111/j.1600-0706.2010.17985.x
Liere, H. & I. Perfecto, 2008. Cheating on a mutualism: indirect benefits of ant attendance to a coccidophagous coccinellid. Environmental Entomology 37: 143-149. Doi 0046-225X/08/0143-0149$04.00/0

Pleegkinderen geen bezwaar

Tinamoe-vaders verzorgen ook andermans jongen

mannetje tinamoe voedt ook pleegkinderen op

De zorg voor jongen is een exclusieve mannentaak bij de grote tinamoe, een vogel uit de regenwouden van Midden en Zuid Amerika; hij is iets kleiner dan een wilde eend. De vrouwen gaan van man naar man en laten hun eieren bij hen achter. Een mannetje heeft een simpel nest op de grond tussen plankwortels van bomen. Hij broedt maximaal acht eieren uit en brengt de jongen groot.
Maar of dat allemaal zijn eigen jongen zijn? Daar is hij niet zeker van, want de vrouwen paren met meerdere mannen in dezelfde periode. In ruim de helft van de nesten liggen een of meer eieren die niet van de nestbezitter zelf zijn, schrijft Patricia Brennan. Ongeveer een kwart van de jongen groeit op bij een andere man dan de biologische vader. Brennan ploos de familierelaties van de tinamoes uit door het DNA te analyseren.

Vanuit evolutionair oogpunt lijkt dat een vreemde zaak. Door natuurlijke selectie komt immers het gedrag bovendrijven dat een zo groot mogelijk voortplantingssucces oplevert. Het grootbrengen van andermans jongen hoort daar niet bij. Zijn de tinamoe-vaders de gekke Henkies onder de vogels?
Toch niet, legt Brennan uit. Eén vrouw legt hooguit drie eieren in een nest. Door haar eerst een poos aan het lijntje te houden en inmiddels veelvuldig met haar te paren, kan een man de kans vergroten dat zijn sperma haar eieren bevrucht, en niet het sperma van een andere man. In nesten met drie eieren zijn die bijna allemaal (gemiddeld 2,4 stuks) bevrucht door de verzorgende vader.
Maar hij kan meer dan drie eieren tegelijk bebroeden en zal dus proberen om nog een paar vrouwen naar zijn nest te krijgen. Daar is een beetje haast bij, want als hij het eerste ei lang laat liggen gaat de kwaliteit ervan achteruit. En als hij eenmaal zit te broeden, laat hij geen nieuwe eieren meer toe. Hij moet de extra vrouwen dus meteen laten leggen, met als gevolg dat hij zich niet kan verzekeren van het vaderschap. In een nest met meer dan drie eieren is de kans op vreemde eieren dan ook veel groter. Maar belangrijker is: van sommige extra eieren is hij wel degelijk de vader. In grotere nesten (vier tot acht eieren) heeft de verzorgende vader gemiddeld 3,7 jongen, zeg maar één meer dan in een nest van drie eieren.
Voor dat extra eigen jong neemt hij de pleegkinderen op de koop toe.
Hij heeft daar overigens nauwelijks extra werk aan. Als de jongen uitkomen, zoeken ze meteen zelf hun voedsel. Hij kan alle kleintjes makkelijk in het oog houden. Een groot kindertal is zelfs een voordeel als het nest wordt ontdekt door een slang. In een nest met drie eieren gaat dan alles verloren; zijn er meer eieren, dan blijft meestal een deel gespaard.

En de medaille heeft natuurlijk ook een keerzijde. Door het losse gedrag van vrouwen zitten veel mannen opgescheept met de jongen van een ander, maar hebben ze zelf ook jongen die door een andere man worden grootgebracht. Daarmee is hun risico gespreid: als hun nest verloren gaat, hebben ze wellicht elders jongen die overleven.

Willy van Strien

Foto: Nick Athanas

Bron:
Brennan, P.L.R., 2012. Mixed paternity despite high male parental care in great tinamous and other Palaeognathes. Animal Behaviour, 20 juli online. Doi 10.1016/j.anbehav.2012.06.026

Dapper gewapper

Eekhoorns imponeren slangen met zwaaiende staarten

Californische grondeekhoorn verjaagt slang

Ratelslangen eten graag Californische grondeekhoorns, en dan met name de jongen. Maar de volwassen eekhoorns verdedigen hun jongen dapper door de vijand brutaal tegemoet te treden. Als ze een slang ontdekken gaan ze er meteen op af; ze steken hun dikke, harige pluimstaart op en zwaaien hem heen en weer. Dat maakt zoveel indruk op de slang dat hij niet aanvalt en vaak zelfs stilletjes de aftocht blaast, liet Matthew Barbour zien. Je vraagt je af wie er nu eigenlijk de baas is: de ratelslang of de grondeekhoorn.

Barbour onderzocht hoe slangen reageren op het staartvertoon van de eekhoorns door een aantal slangen uit te rusten met een radiozendertje, zodat hij hen in het veld kon volgen. Als hij zo’n slang ergens terugvond, stelden hij en een collega daar een videocamera op. Vaak ook bleven ze zelf de slang observeren.
Zo kwam hij erachter dat een slang vooral uitvalt naar niet-zwaaiende eekhoorns. Eekhoorns met wuivende staart valt hij niet gauw aan; zo’n beestje loopt pas gevaar als hij zich heel dichtbij de slangenkop waagt. De slang doet er slim aan om de zwaaiende eekhoorns met rust te laten, want als hij toeschiet proberen die altijd weg te springen, en dat lukt ze meestal ook. Van niet-zwaaiende eekhoorns springt nog niet de helft op tijd weg. Een wapperende staart is voor de slang dus een teken dat de eekhoorn hem in de gaten heeft en dat een aanval waarschijnlijk gaat mislukken. Bovendien kan zo’n eekhoorn vervelend worden en met zand gaan gooien of zelfs bijten, zodat de slang in de verdediging wordt gedrongen. Barbour zag dat trouwens niet vaak gebeuren.
Geconfronteerd met een zwaaiende eekhoorn blijft een ratelslang meestal doodstil liggen. En zo gauw de eekhoorn bij hem weg gaat, zal de slang vertrekken. Want de staartzwaaier heeft de andere eekhoorns gealarmeerd en ook die zijn nu op hun hoede. Dan zit een lekkere hap er niet meer in.
De eekhoorns zwaaien ook met hun staart als ze op plaatsen zijn waar een slang in hinderlaag zou kunnen liggen, ook als ze er geen zien. Zo schrikken ze een eventueel aanwezige slang bij voorbaat af.
Met een opgestoken en zwaaiende staart laten de grondeekhoorns dus aan ratelslangen merken dat ze waakzaam zijn. Een paar jaar geleden heeft Aaron Rundus ontdekt hoe dat ze dat signaal nog versterken. Normaal is de staart een stuk koeler dan de rest van het lichaam, maar tegenover ratelslangen warmen de eekhoorns hun staart een paar graden op. Warme voorwerpen zenden infrarode straling uit en de ratelslangen nemen die straling waar. Het maakt de slangen extra voorzichtig, zag Rundus toen hij in het lab slangen confronteerde met robots, gemaakt van opgezette eekhoorns; sommige robots wuifden met een koele, andere met een warme staart.
Maar ondanks het dappere staartvertoon verliezen de eekhoorns toch vaak jongen aan de slangen. In die zin blijven de rovers de baas.

Willy van Strien

Foto: Joseph V Higbee (Creative Commons)

Dappere eekhoorn; YouTube-filmpje van Amerikaanse onderzoekers

Bronnen:
Barbour, M.A. & R.W. Clark, 2012. Ground squirrel tail-flag displays alter both predatory strike and ambush site selection behaviours of rattlesnakes. Proceedings of the Royal Society B, 11 juli online. doi:10.1098/rspb.2012.1112
Rundus, A.S., D.H. Owings, S.S. Joshi, E. Chinn & N. Giannini, 2007. Ground squirrels use an infrared signal to deter rattlesnake predation. PNAS 104: 14372-14376. doi:10.1073/pnas.0702599104

Zie ook:
Prooien en predatoren hebben zo hun trucjes

Grote mannen met kleine ballen

Harembezitters hebben geen onbeperkte macht

walrus: grote man, kleine ballen

                            

Ze lijken heer en meester te zijn, de mannelijke walrussen, manenrobben en zeeolifanten die een stuk strand bezitten en toegang hebben tot alle vrouwen die daar komen. Met hun grote lijf hebben ze de strijd om zo’n harem gewonnen van andere mannen. Maar wat moeten ze beginnen tegen haremloze mannen die erin slagen om stiekem met vrouwen te paren?

John Fitzpatrick heeft vergelijkend onderzoek gedaan naar de concurrentie tussen mannelijke zeeroofdieren: oorrobben (zeeleeuwen, zeeberen), zeehonden (waaronder zeeolifanten) en de walrus. Daar zijn soorten onder waarbij elke man een partner kan vinden en nakomelingen krijgen, zoals de gewone zeehond. Maar er zijn ook soorten waarbij mannen een harem verdedigen. De harembezitters hebben veel vrouwen en kunnen veel nakomelingen krijgen, terwijl de vele haremloze mannen het nakijken hebben. Geen wonder dat de mannen van soorten met harems een felle concurrentiestrijd aangaan.
Om de strijd om een territorium te voeren ontwikkelden die mannen een groot lijf. Ze zijn veel groter dan de vrouwen, een verschil dat je bij soorten zonder harems niet vindt. Maar de concurrentie tussen mannen kan zich op twee niveaus afspelen. Als een vrouw met meerdere mannen paart, gaat het erom wiens zaadcellen de eicellen bevruchten. Een man heeft een grotere kans om deze spermaconcurrentie te winnen naarmate hij meer zaadcellen, dus een groter ejaculaat geeft. Voor deze strijd heeft hij grote zaadballen nodig.
Bij soorten zeeroofdieren met harems hebben mannen in verhouding juist kleine zaadballen, concludeerde Fitzpatrick uit literatuuronderzoek. Bij de soorten waar de mannen in verhouding tot de vrouwen het grootst zijn, zijn de zaadballen relatief het kleinst. Dat kan twee dingen betekenen. Ofwel forse harembezitters hebben vanwege hun machtige positie geen concurrentie te duchten, dus ze hoeven niet ook nog eens energie te steken in de aanmaak van extra veel zaadcellen. Ofwel ze kunnen geen energie steken in de concurrentie tussen zaadcellen, omdat ze alles moeten investeren in lichamelijke kracht. Bij de strijd om een territorium hebben ze immers enorm veel te winnen.
Fitzpatrick denkt dat de tweede mogelijkheid de juiste is. Omdat haremloze mannen er soms in slagen te paren – want een harembezitter kan niet voortdurend alle vrouwen in de gaten houden – komt er wel degelijk spermaconcurrentie voor. Daarin hoeft een grote harembezitter niet per se uit te blinken. Bovendien zal hij met al zijn vrouwen ook weleens met een tekort aan sperma zitten. Zo kan hij aan vaderschap verliezen aan haremloze mannen: de harembezitters hebben geen volledige alleenheerschappij.

Willy van Strien

Foto:Public domain images

Bron:
Fitzpatrick, J.L., M. Almbro, A. Gonzalez-Voyer, N. Kolm & L.W. Simmons, 2012. Male contest competition and the coevolution of weaponry and testes in pinnipeds. Evolution, 4 juli online. doi:10.1111/j.1558-5646.2012.01713.x