Veilig en agressief door nabootsing

Jonge valse poetsvis gebruikt vermomming om te bijten

Valse poetsvis is niet te onderscheiden van gewone poetslipvis

Het heeft voordelen om op een poetsvis te lijken, laten Misaki Fujisawa en collega’s zien. Valse poetsvissen worden met rust gelaten door roofvissen. Daarbij kunnen ze andere vissen benaderen om een hap van ze te nemen – maar dat doen alleen de kleintjes.

De gewone poetslipvis, Labroides dimidiatus, leeft op koraalriffen, waar hij zich verdienstelijk maakt door andere vissen te verlossen van bloedzuigende parasieten die op de huid zitten. Er zwemt ook een dubbelganger rond, de valse poetsvis Aspidontus taeniatus. Die ziet er precies hetzelfde uit als de poetslipvis, maar hij maakt geen andere vissen schoon.
Misaki Fujisawa en collega’s vroegen zich af waarom de valse poetsvis het uiterlijk van de gewone poetslipvis heeft. De vermomming of mimicry helpt om aan roofvissen te ontsnappen, die nuttige poetslipvissen altijd met rust laten en de vervalsing niet door hebben. Er is dus een beschermende functie. Maar kunnen de valse poetsers dankzij hun vermomming misschien ook ongestoord vissen benaderen en aanvallen? Dan zou de vermomming ook agressief gedrag mogelijk maken.
Om het antwoord te vinden bestudeerden de onderzoekers het gedrag van de valse poetsvissen op koraalriffen ten zuidoosten van het Japanse eiland Sesoko.

Vinnen bijten

De valse poetsvis voedt zich voornamelijk met bodemdieren; hij pikt stukjes van de tentakels van kokerwormen of hapt in zachte delen van een doopvontschelp. Daarnaast bijt hij stukjes uit de vinnen van andere vissen en steelt hij eitjes uit de nesten van koraaljuffers (visjes van de familie Pomacentridae).
Bij het vinnenbijten komt de gelijkenis met de gewone poetslipvis goed van pas. Het geeft de valse poetser de kans om argeloze slachtoffers te benaderen, al gedraagt hij zich wat anders. Een gewone poetslipvis nodigt klanten uit voor een poetsbeurt met een zigzagdans. Dat doet een valse poetser niet: hij benadert zijn slachtoffers meestal van achteren, schiet opeens snel toe en hapt in de staartvin.
De vermomming heeft dus inderdaad een tweede functie, naast de bescherming die het de valse poetsers biedt tegen roofvissen.

Minder gevaarlijk

Maar alleen kleine exemplaren zijn vinnenbijters, laat Fujisawa zien. Als de visjes groter worden, blijven bodemdieren het belangrijkste voedsel. Daarnaast gaan ze geleidelijk minder vaak bijten en meer eitjes roven. Vaak vallen ze in groepjes nesten aan. Dan verliest de vermomming zijn kracht, want gewone poetslipvissen werken altijd alleen of als paartje.
Er is een goede reden om over te schakelen, want visseneitjes zijn voedzamer dan stukjes vin. Maar voor kleine valse poetsers is het moeilijk en gevaarlijk om een nest te overvallen, omdat de eitjes van koraaljuffers bewaakt worden door ouders die niet aarzelen om elke vijand fel aan te vallen. Grote valse poetservissen kunnen ontkomen door snel te zwemmen, maar voor kleintjes is het te link. Vinnen bijten gaat hen beter af – dankzij hun onschuldige uiterlijk.

Willy van Strien

Foto: Twee volwassen poetslipvissen (midden en rechts) en een volwassen valse poetsvis (links) bij het eiland Sesoko, Okinawa, Japan. ©Misaki Fujisawa

Een andere valse poetser: veilig dankzij vermomming

Bronnen:
Fujisawa, M., Y. Sakai & T. Kuwamura, 2018. Aggressive mimicry of the cleaner wrasse by Aspidontus taeniatus functions mainly for small blennies. Ethology, 19 april online. Doi: 10.1111/eth.12743
Cheney, K.L., A.S.Grutter & R. Bshary, 2014. Geographical variation in the benefits obtained by a coral reef fish mimic. Animal Behaviour 88: 85-90. Doi: 10.1016/j.anbehav.2013.11.006
Kuwamura, T., 1983. Reexamination on the aggressive mimicry of the cleaner wrasse Labroides dimidiatus by the blenny Aspidontus taeniatus (Pisces; Perciformes). Journal of Ethology 1: 22-33. Doi: 10.1007/BF02347828

Onbetaalde diensten

Schimmels en fruitvliegen helpen orchidee voor nop

Fruitvlieg op bloem van orchidee Gastrodia pubilabiata

De orchidee Gastrodia pubilabiata floreert ten koste van andere soorten. Hij steelt suikers van paddenstoelen, die bovendien vliegjes lokken die voor bestuiving zorgen, laat Kenji Suetsugu zien. Die vliegjes komen bedrogen uit.

De meeste planten maken suikers uit koolstofdioxide met behulp van energie uit zonlicht, volgens een proces dat fotosynthese heet. Maar het orchideetje Gastrodia pubilabiata, een kleine, weinig opvallende plant die groeit in Japan en Taiwan, laat dat karweitje aan anderen over. De plant heeft geen groene bladeren, want hij mist de bladgroenkorrels waarin de fotosynthese plaatsvindt. Hij haalt suikers met zijn wortels uit de ondergrondse schimmeldraden van een aantal paddenstoelsoorten, die ze op hun beurt uit dood organisch materiaal gehaald hebben. De paddenstoelen krijgen niets terug in ruil voor de suikers, ze worden eenvoudigweg bestolen.
En terwijl de meeste planten nectar maken als voedsel voor insecten (of andere dieren) die als tegenprestatie de bloemen bestuiven, laat deze orchidee ook dat achterwege. Hij laat zich door fruitvliegjes (Drosophila-soorten) bedienen zonder hen te belonen. Integendeel, de vliegjes verliezen erop.
Ze zoeken gistende vruchten of halfvergane paddenstoelen om hun eitjes in te leggen, en de larven die eruit komen leven van dat materiaal. De bruin gekleurde bloemen van Gastrodia pubilabiata ruiken kennelijk net als zulk spul, want de vliegjes komen er op af, hebben hun vergissing niet door en leggen hun eitjes op de bloemen. De larven zullen geen geschikt voedsel vinden en doodgaan. Maar de orchidee is geholpen. Bij een bezoek aan een bloem pikken de vliegjes namelijk klompjes stuifmeel op, waarin stuifmeelkorrels zijn samengepakt, en die laten bij een bezoek aan een volgende bloem los, zodat die bestoven wordt.

Ook bij planten heb je parasieten en bedriegers, en deze orchidee is het allebei. Hij neemt voedsel van paddenstoelen af en misleidt fruitvliegjes om zich te laten bestuiven.

Nu laat Kenji Suetsugu zien dat de paddenstoelvormende schimmels nog meer hulp leveren. Oude paddenstoelen trekken namelijk fruitvliegvrouwtjes aan die hun eitjes willen leggen, en als ze er toch zijn, zullen ze ook de orchideeënbloemen bezoeken die gistend en rottend materiaal imiteren.
Suetsugu deed proeven waarbij hij rond orchideeën oude paddenstoelen van Mycena-soorten weghaalde of er juist extra exemplaren neerlegde; Mycena-soorten zijn de belangrijkste slachtoffers van diefstal door de plant. Daaruit blijkt, dat hoe meer rottende paddenstoelen er in de buurt zijn, hoe meer stuifmeel de misleide vliegen ophalen en afleveren bij de orchideeën, en hoe meer zaad de bloemen maken.

Zo functioneren de schimmels niet alleen als voedselleveranciers, maar tevens als magneten die bestuivers lokken. Ook dat doen ze onbetaald.

Willy van Strien

Foto: Gastrodia pubilabiata, bloem en fruitvliegje met stuifmeelklompjes. © Kenji Suetsugu

Bron:
Suetsugu, K., 2018. Achlorophyllous orchid can utilize fungi not only for nutritional demands but also pollinator attraction. Ecology, 25 maart online. Doi: 10.1002/ecy.2170

Instinkers

Aronskelk lokt bromvliegen en hagedis met kadavergeur

Dood-paard-aronskelk is aantrekkelijk voor balearenhagedis

De aronskelk Helicodiceros muscivorus ruikt als een rottend dood beest. Daar komen bromvliegen en een hagedis op af. Ana Pérez-Cembranos en collega’s beschrijven de complexe relaties tussen plant, bromvliegen en hagedis: een verhaal van bedrog, misbruik en profijt.

Op eilanden in de Middellandse Zee groeit een plantje dat vreselijk stinkt, de ‘dood-paard-aronskelk’, Helicodiceros muscivorus. Zijn geur bevat chemische bestanddelen die ook een dood beest in ontbinding verspreidt. Voor een bromvliegvrouwtje is die walm onweerstaanbaar. Ze zoekt namelijk kadavers waar ze haar eitjes op kan leggen, zodat de vleesetende larven voedsel zullen hebben. De dood-paard-aronskelk maakt misbruik van haar behoefte.

De planten stinken op de eerste dag dat ze bloeien. Bromvliegen die het luchtje oppikken, kúnnen het niet negeren. Ze gaan op de bron af en vinden een roze of rood schutblad met het harige uiteinde van de bloeikolf, dat de geur produceert. Als ze landen, blijkt dat uiteinde bovendien warm te zijn. Voor de bromvliegen is de imitatie compleet: dit moet een broeiend kadaver zijn. Geleid door de warmte kruipen ze in de buis die de opgerolde basis van het schutblad vormt om het onderste deel van de bloeikolf, waar vrouwelijke en mannelijke bloemetjes op staan.
Eenmaal binnen vinden ze natuurlijk niet wat ze zoeken; geen rottend vlees te bekennen. Maar als ze weer willen vertrekken, blijkt dat niet te kunnen. Uitsteeksels aan de bloeikolf sluiten de uitgang af. Ze zitten in de val.
En tijdens hun gevangenschap in de kamer met bloemetjes bewijzen ze de plant ongewild een dienst. Het zijn de vrouwelijke bloemen onderaan de bloeikolf die deze eerste dag in bloei zijn. Vliegen die zich al eerder door een aronskelk lieten misleiden, dragen stuifmeel van die plant bij zich en dat komt nu op de vrouwelijke bloemen terecht. Daarmee heeft de plant het eerste succes binnen: de vrouwelijke bloemen zijn bestoven.

De volgende dag zijn de vrouwelijke bloemen uitgebloeid en hebben de mannelijke bloemen hun stuifmeel klaar. De stank en de warmte verdwijnen, de uitsteeksels verwelken en de bromvliegen kunnen naar buiten. Ze passeren de mannelijke bloemen en worden met stuifmeel beladen. En zo behaalt de plant het tweede succes: de vrijgelaten bromvliegen nemen het stuifmeel mee naar vrouwelijke bloemen – als ze tenminste opnieuw een stinkende aronskelk op hun weg vinden en erin trappen.

Zo zijn de bromvliegen gedwongen de dood-paard-aronskelk te bestuiven zonder dat er een beloning zoals nectar tegenover staat. Integendeel: ze verliezen tijd waarin ze naar echte karkassen hadden kunnen zoeken.

Nu laten Ana Pérez-Cembranos en collega’s zien dat ook de balearenhagedis Podarcis lilfordi zich door de geur van de aronskelk laat misleiden. Het dier is omnivoor en eet soms van karkassen. Die zijn bovendien aantrekkelijk als warmtebron; hagedissen zijn koudbloedig en als het koel weer is, gaan ze graag op een broeiend karkas liggen om op te warmen. Bovendien eten ze de bromvliegen die op het aas af komen.
De hagedissen reageren op de geur van de dood-paard-aronskelk hetzelfde als op de geur van een dood dier: ze gaan erheen. Als de geur van een aronskelk afkomstig blijkt te zijn, vinden ze geen vleesmaaltje, maar wel warmte en vliegen, die ze van het schutblad pakken of uit de buis halen.

De hagedissen nemen dus een aantal bestuivers van de planten weg. Maar volgens de onderzoekers blijven er genoeg bromvliegen over om voor bestuiving te zorgen.

De hagedis is dus geen vijand van de aronskelk. Na de bloei, als de besjes rijp zijn, ontstaat er zelfs een mooie samenwerking tussen die twee. De hagedis eet de vruchten en poept de zaden uit. Die ontkiemen beter als ze door de hagedissendarm zijn gegaan. De plant levert de hagedis voedsel en de hagedis verspreidt de zaden en verhoogt hun kiemkracht.
Op het eilandje Aire ten zuidoosten van Menorca, waar het onderzoek is gedaan, is de dood-paard-aronskelk een nieuwkomer. Hij groeit er naar schatting pas een jaar of vijftig. Hij heeft zich in die tijd in hoog tempo over het eilandje verspreid en staat er nu plaatselijk in grote dichtheden. Dat is te danken aan de hagedis, die de vruchten heeft leren eten en nu de belangrijkste zaadverspreider is, denken de onderzoekers.

Willy van Strien

Foto: Balearenhagedis op het schutblad van de aronskelk © Ana Pérez-Cembranos

Bronnen:
Pérez-Cembranos, A., V. Pérez-Mellado & W.E. Cooper, 2018. Balearic lizards use chemical cues from a complex deceptive mimicry to capture attracted pollinators. Ethology  124: 260-268. Doi: 10.1111/eth.12728
Angioy, A-M.,  M. C. Stensmyr, I. Urru, M. Puliafito, I. Collu & B. S. Hansson, 2004. Function of the heater: the dead horse arum revisited. Proceedings of the Royal Society London B 271: S13-S15. Doi: 10.1098/rsbl.2003.0111
Stensmyr, M.C., I. Urru, I. Collu. M. Celander. B.S. Hansson & A-M. Angioy, 2002. Rotting smell of dead-horse arum florets. Nature 420: 625-626. Doi: 10.1038/420625a

Dubbel bedrog

Kakelende koekoek brengt zangvogels in verwarring

koekoekvrouw kakelt als een havik

Eerst zo stiekem mogelijk een ei leggen en dan luid kakelend wegvliegen: een koekoekvrouwtje lijkt niet consequent te zijn. Maar haar gekakel draagt bij aan de misleiding van de beoogde pleegouders van haar jong, laten Jennie York en Nick Davis zien.

Een koekoekvrouwtje dat een ei legt in het nest van een zangvogel, bijvoorbeeld een kleine karekiet, doet dat zo stiekem mogelijk. Want als de pleegouders haar zien, pesten ze haar weg, en als ze haar ei al heeft gelegd, proberen ze dat ei eruit te gooien of verlaten ze het nest om ergens anders opnieuw te beginnen. Want met een koekoeksjong in het nest zijn de eigen jongen ten dode opgeschreven. En dus strijkt een koekoek op een nest neer als de zangvogels even weg zijn en dumpt dan razendsnel een ei. Het is meestal binnen een minuut gepiept.
Maar terwijl ze moeite doet om ongezien te blijven als ze legt, maakt ze vaak een kakelend geluid als ze daarna wegvliegt – heel anders dan het bekende ‘koekoek’ van een mannetje. En dat is gek, want dan kunnen de zangvogels haar alsnog ontdekken. Waarom trekt ze nu opeens hun aandacht? Jennie York en Nick Davis vonden daar een antwoord op.

Ze redeneerden dat een roepend koekoekvrouwtje misschien het geluid van een sperwer, een roofvogel, nabootst; daar heeft het namelijk veel van weg. Als de zangvogels waarbij ze haar ei gelegd heeft dat horen, vrezen ze voor hun leven. Gealarmeerd speuren ze de omgeving af om te zien waar de roofvijand is. En in al die consternatie letten ze niet goed op hun legsel, is het idee. Als ze een afwijkend ei in hun nest zien, reageren ze net zo als wanneer ze een koekoekvrouwtje zien: ze proberen dat ei te verwijderen of ze verlaten hun nest. Maar als ze met hun eigen veiligheid bezig zijn, zullen ze minder goed op hun legsel letten en een vreemd ei makkelijker over het hoofd zien.

York en Davis hebben kunnen bewijzen dat hun idee klopt. Een paar meter van de nesten van kleine karekieten vandaan plaatsten ze een luidspreker en lieten ze een geluid horen; dat geluid was de roep van een koekoekman, van een koekoekvrouw, van een sperwer of van een Turkse tortel, een volstrekt ongevaarlijke vogel. De onderzoekers observeerden hoe de zangvogels daarop reageerden. Het resultaat was duidelijk: het geluid van een koekoekman of een Turkse tortel deed ze niets, maar het geluid van een sperwer maakte ze waakzaam – en dat van een koekoekvrouw net zo. Die lijkt dus inderdaad een sperwer na te bootsen. Ook koolmezen en pimpelmezen, die van een koekoek niets te vrezen hebben, raken gealarmeerd door koekoekgekakel.
Na zo’n beangstigende ervaring hebben kleine karekieten minder oog voor hun nest, bleek vervolgens ook. De onderzoekers stelden de vogels weer bloot aan een geluid, legden een afwijkend ei in het nest en controleerden het nest de volgende dag om te zien of dat ei was geaccepteerd of verwijderd. Karekieten die een sperwer of een koekoekvrouw gehoord hadden, merkten een afwijkend ei minder vaak op dan vogels die een koekoekman of een Turkse tortel gehoord hadden.

Een kakelend koekoekvrouwtje houdt de pleegouders dus twee keer voor de gek. Eerst legt ze stiekem haar ei. Vervolgens doet ze een sperwer na, zodat de bedrogen zangvogels zichzelf verdedigen in plaats van hun legsel, terwijl juist hun legsel in gevaar is.

Willy van Strien

Foto: Trebol-a (Wikimedia Commons, Creative Commons CC BY-SA 3.0)

Bron:
York, J.E. & N.B. Davies, 2017. Female cuckoo calls misdirect host defences towards the wrong enemy. Nature Ecology & Evolution, 4 september online. Doi: 10.1038/s41559-017-0279-3

Bloemetjesjurk

Krabspin misleidt bestuivers met vorm en kleur

krabspin is vermomd als bloemetje

De spin Epicadus heterogaster heeft de kleur van een bloem, en niet voor niets, laten Camila Vieira en collega’s zien: bijen komen op de kleur af en worden prooien. De eigenaardige vorm van de spin maakt de vermomming compleet.

Voor het krabspinnetje Epicadus heterogaster uit Brazilië is het altijd carnaval, zo lijkt het. Het beestje is vermomd als bloemetje: het is wit, geel of paars en heeft een achterlijf met opvallende uitsteeksels. Zo misleidt zij insecten die bloemen bezoeken om nectar te verzamelen en die al doende de bloemen bestuiven, is het idee. Als die op de spin afkomen, hoeft ze haar poten maar uit te steken om ze te pakken. De bestuivers zijn prooien geworden.
Camila Vieira en collega’s bewijzen nu dat insecten zoals bijen inderdaad op de kleur van de spin af komen.

Net als veel bloemen heeft Epicadus heterogaster een ultraviolette component in haar kleur. Wij kunnen die ultraviolette kleur niet zien, maar insecten zien het uitstekend en sommige insecten, zoals bijen, hebben er een voorkeur voor. De kleur van de spin steekt duidelijk af tegen het groene blad waarop ze haar bezoekers opwacht.
Om te bewijzen dat de kleur insecten lokt, behandelden de onderzoekers verdoofde vrouwelijke spinnen met zonnebrandcrème die het ultraviolet tegenhoudt. Smeerden ze de crème op de rug van een vrouwtje, dan zagen langsvliegende bestuivers geen ultraviolet meer en kwamen ze niet op de spin af. Integendeel, ze gingen haar juist uit de weg. Maar brachten ze de crème op de buik van een spin aan, dan bleef zij er voor passerende bestuivers normaal uitzien en dan benaderden die haar wel. De ultraviolette kleur misleidt bestuivers dus, en de bloemachtige vorm zal daar ongetwijfeld bij helpen.

Jonge vrouwtjes hebben dezelfde ultraviolette kleur als volwassen vrouwtjes. Maar zij gebruiken de gelijkenis met een bloem op een andere manier. Ze zitten niet op een groen blad om bestuivers te lokken, want ze zijn zo klein dat bestuivers toch niet in hen geïnteresseerd zijn. En dan kunnen ze maar beter niet opvallen, want hun roofvijanden zien ze ook. Jonge spinnetjes zitten dan ook meestal op een bloem, waar ze prima gecamoufleerd zijn.

Willy van Strien

Foto: Alex Popovkin (Wikimedia Commons, Creative Commons CC BY 2.0)

Epicadus heterogaster in levende lijve op TouTube

Ook de orchidee-bidsprinkhaan bootst een bloem na om insecten te vangen

Bron:
Vieira, C., E.N. Ramires, J. Vasconcellos-Neto, R.J. Poppi & G.Q. Romero,2017. Crab spider lures prey in flowerless neighborhoods. Scientific Reports 7: 9188. Doi: 10.1038/s41598-017-09456-y

Succesvolle imitatie

Bosmierspringspin misleidt roofvijand met mierenloopje

bosmierspringspin Myrmarachne formicaria aapt een mier na

De bosmierspringspin aapt met succes het loopje van mieren na. Grotere spinnen die op kleine beestjes jagen trappen erin. Ze laten het spinnetje vaak met rust, zoals ze ook een mier niet gauw zullen aanvallen, zagen Paul Shamble en collega’s.

De bosmierspringspin Myrmarachne formicaria, een diertje van ongeveer een halve centimeter lang, heeft wel wat weg van een mier; hij is bijvoorbeeld behoorlijk slank voor een spin. Die gelijkenis is er niet voor niets. Veel roofvijanden, vooral grotere spinnen en wespen, pakken graag een spin maar laten een mier meestal lopen. Die kan immers bijten, een brandend zuur spuiten of een pijnlijke steek uitdelen om zich te verdedigen, en krijgt vaak hulp van nestgenoten. Dat schrikt veel vijanden af. Door een mier na te bootsen kan een kleine spin zijn roofvijanden op afstand houden.
Maar een uiterlijke gelijkenis is daarvoor niet genoeg. Een spin die voor mier wil doorgaan zal zich ook als een mier moeten bewegen.
Dat is een fikse opgave, schrijven Paul Shamble en collega’s. Want spinnen lopen op acht poten en mieren op zes, en de poten zijn bovendien anders gespierd: dat vraagt een wat andere looptechniek. Spinnen lopen in een vrij rechte lijn, terwijl mieren grote lussen maken – tenzij ze een geurspoor van nestgenoten volgen: dat doen ze met een typische, regelmatig slingerende zigzagbeweging. Springspinnen, de groep waartoe Myrmarachne formicaria behoort, jagen lopend; ze gaan steeds een stukje vooruit en staan dan een lange tijd stil om niet op te vallen. Mieren daarentegen rennen voortdurend rusteloos voort. Als springspinnen een prooi zien, springen ze daar van een grote afstand naartoe; mieren springen niet.
Een springspin die voor mier wil spelen moet zijn bewegingen dus behoorlijk aanpassen. Doet de bosmierspringspin dat?

Met drie hogesnelheidscamera’s tegelijk filmden de onderzoekers bosmierspringspin, andere springspinnen, die gewoon zichzelf zijn, en mieren, terwijl de dieren over een glasplaat liepen en analyseerden de looppatronen. Ze ontdekten dat een lopende bosmierspringspin meesterlijk mieren imiteert.
Hij loopt net als andere spinnen op acht poten, dat wel. Maar die poten beweegt hij op een mierachtige manier. Hij loopt met rukjes, zoals springspinnen nu eenmaal doen, maar hij staat steeds veel korter stil dan andere springspinnen. En als hij stilstaat heft hij zijn voorpoten op, zodat het lijkt alsof hij, net als mieren, drie paar poten en een paar antennen heeft. Hij loopt zigzaggend  in een rechte lijn, zoals een mier die een geurspoor volgt, en de onderzoekers zagen hem nooit een sprong maken.

Het mooiste onderdeel van het onderzoek is dat Shamble videoanimaties maakte van een bosmierspringspin, een andere springspin en een mier en die vertoonde aan een grote spin. Die zag de animaties als mogelijke hapjes, maar vond ze duidelijk niet allemaal even aantrekkelijk. Hij ging veel eerder op het scherm af als daar een animatie van een kleine spin te zien was dan wanneer er een mier verscheen. En het belangrijkste: hij had weinig neiging om het model van een bosmierspringspin aan te vallen.
De bosmierspringspin houdt grote spinnen dus voor de gek door het uiterlijk én de beweging van een mier na te bootsen, en is daarmee veilig voor deze belagers. Maar of roofvijanden met beter gezichtsvermogen, zoals spitsmuizen, vogels, padden of hagedissen, er ook in trappen, is de vraag.

Willy van Strien

Foto: Jeff Burcher (via Flickr. Creative Commons CC BY-NC-ND 2.0)

Bron:
Shamble, P.S., R.R. Hoy, I. Cohen & T. Beatus, 2017. Walking like an ant: a quantitative and experimental approach to understanding locomotor mimicry in the jumping spider Myrmarachne formicaria. Proc. R. Soc. B 284: 20170308. Doi: 10.1098/rspb.2017.0308

Het venijn in de kop

Vis met giftige hoektanden heeft veel navolgers

Sabeltandslijmvis Petroscirtes breviceps bootst een giftige soort na

Meiacanthus-soorten zijn als enige vissen bewapend met giftige tanden. Roofvissen laten deze venijnige vissen met rust, en een aantal andere vissen bootst het uiterlijk en gedrag van Meiacanthus na om vijanden op een afstand te houden. Een groot onderzoeksteam ontrafelde de evolutie van de giftige vissen.

Een roofvis die in een Meiacanthus-vis een makkelijk hapje denkt te zien, komt bedrogen uit. Het beestje laat zich niet zomaar opeten. Hij zet een paar scherpe tanden in zijn belager die gif injecteren. Die raakt van slag en laat zijn slachtoffer ontsnappen. En hij zal deze vis voortaan niet meer aanraken.
Meiacanthus-vissen zijn de enige vissen met giftanden. Ze behoren tot de groep van de sabeltandslijmvissen (Nemophini) die allemaal een paar grote, holle hoektanden in de onderkaak hebben. Nicholas Casewell laat, samen met een grote groep andere onderzoekers, zien dat de gemeenschappelijke voorouder van de sabeltandslijmvissen die grote hoektanden al had. Maar alleen bij de soorten van het geslacht Meiacanthus hebben ze zich ontwikkeld tot giftanden. Deze soorten hebben gifklieren aan de basis van de vergrote hoektanden en groeven in de tanden waarlangs het gif stroomt als ze het in een vijand inspuiten.

Het gif lijkt geen pijn te veroorzaken, schrijven de onderzoekers, maar het laat de bloeddruk van de roofvijand kelderen. Die wordt daardoor slap, raakt gedesoriënteerd en laat zijn prooi ongedeerd ontsnappen. De bloeddrukverlaging is kennelijk zo’n vervelende ervaring dat hij niet nog eens probeert een Meiacanthus te pakken. De onderzoekers troffen drie verbindingen in het gif aan die nooit eerder bij vissen waren gevonden.
Sommige niet-giftige sabeltandslijmvissen, maar ook sommige vissen van andere groepen, zien er hetzelfde uit als Meiacanthus-soorten en gedragen zich hetzelfde. Zo profiteren ze mee van de angst die roofvissen hebben voor Meiacanthus. Hoewel ze zelf geen verdediging tegen roofvissen hebben, zijn ze door deze na-aperij toch beschermd tegen aanvallen.

Wat doen niet-giftige sabeltandslijmvissen met hun vervaarlijke hoektanden? Voedsel pakken, waarschijnlijk. Dat geldt in elk geval voor alle Plagiotremus-soorten, die stukjes huid, schubben, slijm en vin van grotere vissen afbijten. Als ze op Meiacanthus-soorten lijken, doen hun slachtoffers niet gauw iets terug.
Plagiotremus rhinorhynchos heeft overigens nog een ander trucje. Hij kan ook het uiterlijk nabootsen van de gewone poetslipvis (Labroides dimidiatus) die grotere vissen van hun parasieten afhelpt: een ander voorbeeld van mimicry. Poetsvissen worden door roofvissen met rust gelaten omdat ze van nut zijn, en Plagiotremus rhinorhynchos buit dat handig uit. Veel vissen zijn meesters in vermommen en houden zo hun roofvijanden op de een of andere manier voor de gek.

Willy van Strien

Foto:
Petroscirtes breviceps, niet giftig, maar wel in het bezit van grote hoektanden in de onderkaak. ©Alex Ribeiro
CT-scan van de giftige soort Meiacanthus grammistes. ©Anthony Romilio (University of Queensland, Australië)

Zie ook: veilig dankzij vermomming

Bron:
Casewell, N.R., J.C. Visser, K. Baumann, J. Dobson, H. Han, S. Kuruppu, M. Morgan, A. Romilio, V. Weisbecker, S.A. Ali, J. Debono, I. Koludarov, I.Que, G.C. Bird, G.M. Cooke, A. Nouwens, W.C. Hodgson, S.C. Wagstaff, K.L. Cheney, I. Vetter, L. van der Weerd, M.K. Richardson & B.G. Fry, 2017. The evolution of fangs, venom,and mimicry systems in blenny fishes. Current Biology, 30 maart online. Doi: 10.1016/j.cub.2017.02.067

Kleine vogelverschrikker

Epauletspreeuw deinst terug voor fluitende rups

epauletspreeuw is bang voor fluitende rups

Het is bijna potsierlijk als de kleine rups van het motje Amorpha juglandis plotseling een hoge pieptoon uitstoot. Het jaagt vogels zoveel angst aan dat ze de rups met rust laten, zagen Amanda Dookie en collega’s. Waarom zijn vogels eigenlijk bang voor dit fluitende beestje?

rups van Amorpha juglandis kan fluitenNormaal gesproken zijn vogels niet bang voor een rups. Maar van rupsen van het motje Amorpha juglandis (een soort pijlstaart) kunnen ze behoorlijk schrikken, schrijven Amanda Dookie en collega’s. Dat zijn dan ook bijzondere beestjes: ze gaan gillen als ze worden aangeraakt.
Veronica Bura heeft een paar jaar geleden uitgezocht hoe de rupsen hun hoge pieptoon maken. Ze hebben een stelsel van luchtbuizen met aan weerskanten een rij openingen naar buiten; hierdoor halen ze adem. Om geluid te maken trekt een rups de voorkant van zijn lijf samen, houdt alle openingen dicht behalve het laatste paar en perst daar met kracht lucht uit. En dan ontstaat een fluittoon. Het laatste paar luchtgaten is groter dan de andere, waarschijnlijk speciaal om te kunnen fluiten.
Vaak slaan de rupsen ook met de kop om zich te verdedigen. Dookie wilde weten of de fluittoon op zich voldoende is om vogels angst aan te jagen, en hoe erg ze ervan schrikken.

Ze onderzocht het door vogels te confronteren met het afgespeelde geluid van een rups dat vooraf opgenomen was. Proefdieren waren mannelijke epauletspreeuwen, die net als de mot in Noord Amerika leven. De vogels werden elk in een eigen kooi gehuisvest en kregen vier dagen lang dagelijks meelwormen aangeboden op een schoteltje. Daarna begonnen de proeven. Naast het schoteltje meelwormen waren een bewegingssensor en een luidspreker bevestigd en zo gauw een vogel het schoteltje aanraakte, werd het geluid van een fluitende rups afgespeeld.
Dat miste zijn uitwerking niet: alle vogels schrokken. De meeste vlogen op, sprongen achteruit of klapten met hun vleugels. Na een tijdje probeerden ze opnieuw een meelworm te pakken en kregen ze weer het gefluit te horen. Ze wenden er een beetje aan en reageerden steeds minder heftig. Maar als ze na twee dagen rust opnieuw met het geluid geconfronteerd werden, schrokken ze weer net zo erg als de eerste keer.

Weten de rupsen aan hongerige vogels te ontkomen met hun gefluit? Waarschijnlijk wel. Buiten scharrelen de vogels overal rond. Als een fluitende rups ze angst aanjaagt, laten ze die rups waarschijnlijk met rust en gaan ze verderop voedsel zoeken.

Wat vind een vogel nu eigenlijk zo eng aan een fluitende rups?
Zo’n beestje is niet gevaarlijk of giftig, voor zover bekend. Maar de korte, hoge pieptoon die hij uitstoot is voor de vogels verbonden aan onraad, denken de onderzoekers. Hij lijkt namelijk op de alarmroep die veel vogels laten horen als er gevaar dreigt, en een schrikreactie daarop zit bij vogels ingebakken. Waarschijnlijk maakt de rups gebruik van die schrikreactie.

Willy van Strien

Foto’s:
Groot: epauletspreeuw Agelaius phoeniceus. Janet Beasly (Wikimedia Commons, Creative Commons CC BY-SA 2.0)
Klein: rups van Amorpha juglandis. © Jayne Yack

Bronnen:
Dookie, A.L., C.A. Young, G. Lamothe, L.A. Schoenle & J.E. Yack, 2017. Why do caterpillars whistle at birds? Insect defence sounds startle avian predators. Behavioural Processes, 138: 58-66. Doi: 10.1016/j.beproc.2017.02.002
Bura, V.L., V.G. Rohwer, P.R. Martin & J.E. Yack, 2011. Whistling in caterpillars (Amorpha juglandis, Bombycoidea): sound-producing mechanism and function. The Journal of Experimental Biology 214: 30-37. Doi:10.1242/jeb.046805

Slimmigheidje

Pofadder lokt kikkers met uitgestoken tong

pofadder steekt tong uit om prooi te lokken

Een kikker in Zuid Afrika die denkt een smakelijk wormpje te zien en er op af gaat, kan pech hebben. Soms is zo’n worm de bedrieglijke tong van een slang, schrijven Xavier Glaudas en Graham Alexander, en dan loopt het waarschijnlijk slecht met de kikker af.

De giftige pofadder (Bitis arietans), die leeft in Zuid Afrika, jaagt op zijn prooien vanuit een hinderlaag. Hij is vooral ’s avonds en ’s nachts actief. Met zijn schutkleur en verscholen in de vegetatie wacht hij onopvallend tot er een slachtoffer in de buurt komt en valt dan aan. Maar hij kan maar tien centimeter uitschieten, en vaak blijft een prooidier net te ver weg om hem te kunnen pakken.
Maar daar heeft de slang een slimmigheidje op gevonden, zagen Xavier Glaudas en Graham Alexander toen ze een grote hoeveelheid video-opnamen bekeken die ze in het veld hadden gemaakt van pofadders in hun hinderlaag. Zo’n slang kan prooien dichterbij lokken door zijn zwarte tong uit te steken, de twee punten gespreid, en heen en weer te bewegen. Die tong is dan net een kronkelende worm. Een kikker trapt daar makkelijk in, zo blijkt. Hij hopt dichterbij om het lekkers te inspecteren en zodra hij binnen bereik van de slang komt, hapt die toe. De kikker die dacht een lekker hapje te vinden, wordt zelf opgegeten.

Bootst de pofadder met zijn tong werkelijk een worm na om prooien te lokken, of lijkt het maar zo? Volgens de onderzoekers doet hij dat zeker. Want de slang laat zijn tong alleen voor worm spelen als er een kikker of pad in de buurt is. Voor prooien die geen wormpjes eten, zoals een muis, doet hij het niet. Slangen steken hun tong ook uit om geuren op te vangen, maar dat doen ze dan maar steeds gedurende een halve seconde. Komt er een kikker in de buurt, dan laten ze hun tong tien keer zo lang buiten hangen. Ook dat wijst erop dat het lokgedrag is. Behoorlijk slim voor een slang.

De pofadders zwaaien ook wel met hun staartpunt, en ook daarmee doen ze volgens Glaudas en Alexander een beestje na om prooien te lokken. Maar ze hebben geen opnamen waarmee ze dat kunnen laten zien, want de camera was op de kop van de dieren gericht.

Willy van Strien

Foto: Joachim S. Müller (via Flickr, Creative Commons CC BY-NC-SA 2.0)

Xavier Glaudas vertelt over zijn onderzoek

Bron:
Glaudas, X. & G. J. Alexander, 2017. A lure at both ends: aggressive visual mimicry signals and prey-specific luring behaviour in an ambush-foraging snake. Behavioral Ecology and Sociobiology 71:2. Doi: 10.1007/s00265-016-2244-6

Ongenode gast

Kikker broedt veilig en ongestoord in mierennest

Lithodytes lineatus is veilig in mierennest

Bladsnijdermieren negeren het kikkertje Lithodytes lineatus dat in hun nesten leeft. Ze merken hem eenvoudigweg niet op, schrijven André de Lima Barros en collega’s, want de kikker weet zich goed te camoufleren.

Mieren gaan fel te keer tegen indringers in hun nesten. Maar het Zuid-Amerikaanse fluitkikkertje Lithodytes lineatus heeft nergens last van. Hij is helemaal thuis in de enorme nesten van bladsnijdermieren.
Andreas Schlüter schreef jaren geleden al dat hij kikkermannetjes vanuit een mierennest had horen roepen om vrouwtjes te lokken. Toen hij zo’n nest onderzocht, vond hij er een volwassen kikker en een poeltje waarin een groot aantal kikkervisjes zwom. De kikkers, zo is duidelijk, leven in nesten van bladsnijders.
Dat ze het daar naar hun zin hebben, is te begrijpen. Volwassen kikkers, eitjes en kikkervisjes zijn er veilig voor roofvijanden, want de mieren houden die buiten het nest. Bovendien heerst er een aangenaam, vochtig klimaat.
De vraag is wel waarom de mieren, die verder alle indringers weren, deze inwoners in het nest tolereren.

André de Lima Barros en collega’s laten nu zien dat de kikkers chemisch gecamoufleerd zijn. Ze maken stoffen in de huid die kennelijk de geurstoffen nabootsen waarmee mieren onderling communiceren. Aangezien de mieren uitsluitend op geuren afgaan, vallen de kikkers niet op: een mooi voorbeeld van mimicry.

De onderzoekers toonden dat aan door verschillende soorten kikkers bij een nestingang te zetten. Was dat een exemplaar van Lithodytes lineatus, dan lieten de mieren hem altijd met rust. Maar was het een andere kikker – ofwel een kikker die aan de fluitkikker verwant was, ofwel een kikker die er precies hetzelfde uitzag -, dan werden ze agressief en begonnen ze te bijten. De ongewenste gast probeerde gauw weg te komen.
Vervolgens maakten de biologen een extract uit de huid van Lithodytes lineatus en brachten dat aan op een kikker die normaal niet bij een mierennest wordt geduld. Ingesmeerd met het fluitkikker-extract werd hij met rust gelaten.

Lithodytes lineatus kan dus dankzij chemische camouflage ongestoord een mierennest in gaan en daar blijven. De ongenode gast is niet tot last. Hij blijft van de mieren en hun broed af. Hij eet wel allerlei andere beestjes, zoals roofwantsen en krekels. Wie weet helpt hij de mieren zo om het nest vrij te houden van hun vijanden. Dan zou hij iets terug doen voor de inwoning.

Willy van Strien

Foto: Lithodytes lineatus, buiten mierennest. Andreas Kay (via Flickr, Creative Commons CC BY-NC-SA 2.0)

Bronnen:
De Lima Barros, A., J.L. López-Lozano & A.P. Lima, 2016. The frog Lithodytes lineatus (Anura: Leptodactylidae) uses chemical recognition to live in colonies of leaf-cutting ants of the genus Atta (Hymenoptera: Formicidae). Behavioral Ecology and Sociobiolology, 20 oktober online. Doi: 10.1007/s00265-016-2223-y
Schlüter, A., P. Löttker & K. Mebert, 2009. Use of an active nest of the leaf cutter ant Atta cephalotes (Hymenoptera: Formicidae) as a breeding site of Lithodytes lineatus (Anura: Leptodactylidae). Herpetology Notes 2: 101-105.